| 18648 |
flaphoed |
slappe hoed:
sjlappen hood (L290p Panningen)
|
flaphoed, slappe hoed met brede luifel [flambaar(hoed)] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18912 |
flink; flinke persoon |
flink:
flink (L290p Panningen)
|
flink: U loopt nog - voor iemand van uw leeftijd [DC 39 (1965)]
III-1-4
|
| 18021 |
fluim |
fluim:
flōēm (L290p Panningen),
flūū:m (L290p Panningen),
flūūm (L290p Panningen)
|
fluim [SGV (1914)] || fluim [klad, kwalster, kwaaier] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 18024 |
fluimen uitspuwen |
kwaaien:
kwajje (L290p Panningen),
uitsmijten:
ōē.tsjmīē.te (L290p Panningen)
|
spuwen: fluimen uitspuwen [kwalstere, kwaajere, uitgooje] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 21345 |
fluisteren |
fluisteren:
fluusjtere (L290p Panningen),
smiesperen:
vrijwel uitgestorven
sjniespere (L290p Panningen)
|
fluisteren [DC 16 (1948)]
III-3-1
|
| 28760 |
fluweel, velours |
velours:
flūr (L290p Panningen)
|
Weefsel met een bovenkant met rechtopstaande garenuiteinden, ontstaan door een bijzondere afwerking. De binding bestaat uit een grondweefsel, in effen of keper, waartussen draden, die over grotere afstanden los liggen. Door deze door te snijden en op te borstelen ontstaat een pluche-achtig haardek: pool. Door zacht ruwen wordt het ø̄pluizenø̄ bevorderd, waarna de pool op een bepaalde lengte wordt afgeschoren (Bonthond s.v. ø̄fluweelø̄. [N 62, 78; N 62, 75f; 59, 201; MW; L 1a-m; L 23, 57a; S 9; monogr.]
II-7
|
| 33755 |
fokmerrie |
fokmeer:
fokmēr (L290p Panningen)
|
Een merrie geschikt voor de kweek of die één of meer veulens gehad heeft. Een kweekmeer werkt niet (Q 168), terwijl een veulensmeer ook in de kar loopt (Q 77). In tegenstelling tot een veulensmeer is een kweekmeer gewoonlijk drachtig. Kleinere boeren zorgen ervoor een veulensmeer te hebben, die jaarlijks een veulen werpt, waardoor elk jaar een aanspanner ter beschikking staat. [JG 1a, 1b; N 8, 50b]
I-9
|
| 20143 |
fopspeen |
fiep:
fiep (L290p Panningen)
|
fopspeen; hoe heet in uw dialect de fopspeen die men kleine kinderen in de mond stopt om ze stil te krijgen [DC 43 (1968)]
III-2-2
|
| 34119 |
forsgebouwde koe |
koe wie een paard:
kǫu̯ wi ǝn pērt (L290p Panningen),
ruime koe:
rȳm kǫw (L290p Panningen),
stukkige koe:
štø̜kegǝ kǫu̯ (L290p Panningen)
|
[N 3A, 141a]
I-11
|
| 33528 |
framboos |
framboos:
mv: -ze
framboeëze (L290p Panningen)
|
[DC 13 (1945)]
I-7
|