| 20716 |
boterham met kaas |
boterham:
bòèttram (L387p Posterholt)
|
Boterham met kaas (keesbam, keistaat, sjmouer?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20715 |
boterham met vet |
boterham:
bòèttram (L387p Posterholt)
|
Boterham met vet (sjmouer?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20754 |
boterham van wit en zwart brood |
boterham:
bòèttram (L387p Posterholt)
|
Boterham van wit en zwart brood (preekheer?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20885 |
boterhamworst |
boterhammenworst:
bòòterhammenwòòrsj (L387p Posterholt),
schonkenworst:
sjonkeworsj (L387p Posterholt)
|
boterhamworst [N 06 (1960)] || hamworst /schinken- [N 06 (1960)]
III-2-3
|
| 20527 |
bouillon |
broei:
Is groentennat of vleesnat.
breuj (L387p Posterholt)
|
Wat verstaat u onder: brui (groente, kool, vet of vleesnat?) Uitspraak a.u.b. [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 32074 |
bout van een schroef |
draadeinde:
drǭt˱enj (L387p Posterholt)
|
De van draad voorziene pin aan het uiteinde van een houtschroef. [N 54, 37a]
II-12
|
| 33644 |
bouwland |
akkergrond:
akǝrgrōnjtj (L387p Posterholt),
land:
lanjtj (L387p Posterholt),
veld:
fɛ̄ltj (L387p Posterholt),
vɛljtj (L387p Posterholt)
|
Voor de akkerbouw gebruikt land, het geheel van akkers. [N 6, 33a; N 27, 3a; N 5AøIIŋ, 95a, 95b en 95c; N 11, 1a; L 31, 18; L 19, 1a; L 37, 11b; L a1, 113; L 4, 38; JG 1a, 1b; A 3, 38; A 10, 4; A 20, 1b; Wi 7; S 49; RND 4, 7, 8 en 10, r.37; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33798 |
bovenbeen |
bovenbeen:
bǭvǝbęi̯n (L387p Posterholt)
|
Zie afbeelding 2.21. [N 8, 32.3]
I-9
|
| 17639 |
bovendeel van de rug |
rug:
rèùk (L387p Posterholt),
schouderbladen (mv.):
sjouwerblaar (L387p Posterholt)
|
rug: bovendeel van de rug [mars, hot] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 30246 |
bovendorpel |
bovendorpel:
bǭvǝdø̜rpǝl (L387p Posterholt),
toogdorpel:
tōx˱dø̜rpǝl (L387p Posterholt)
|
De bovenste horizontale regel van een raam- of deurkozijn. Een getoogde of halfcirkelvormige bovendorpel bestaat uit drie stukken die met behulp van houten klossen van bepaalde vorm aan elkaar worden bevestigd. In L 387 werd een dergelijke klos 'sleutel' ('šlø̄ǝtǝl') genoemd. [N 55, 7d; N 55, 7e]
II-9
|