| 18777 |
streng garen [cf. wld ii.7: 24-25] |
strang:
sjtrank (Q032a Puth)
|
streng (garen) [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 29140 |
strengen |
karklinken:
karklinken (Q032a Puth),
trekkettingen:
trekkettingen (Q032a Puth),
trekriemen:
trękrēmǝ (Q032a Puth),
trektouwen:
trektouwen (Q032a Puth),
wagenklinken:
wagenklinken (Q032a Puth)
|
Kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. Het ene uiteinde ervan zit aan de trekhaken van het haam of van het borsttuig vast, het andere aan de voorste schei of aan een haak in de berrie van de kar of wagen. De benamingen voor strengen die uit touw vervaardigd zijn, werden achteraan geplaatst. Bij het woordtype strengen is niet altijd mogelijk uit te maken of de opgegeven dialectvariant enkelvoud of meervoud is. Het lemma Veldstrengen, dat zijn strengen waarmee een paard een akkerwerktuig voorttrekt, is al eerder behandeld in WLD I, afl. 2, p. 178. [JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; N 13, 57, 58a en 58b]
I-10
|
| 34591 |
strenghaken aan de berries |
oren:
ōǝrǝ (Q032a Puth)
|
De twee haken aan de voorkant van de kar waarmee de kettingen van het achterhaam aan de berries bevestigd werden. Deze kettingen dienden om het paard de kar achteruit te laten duwen. Vergelijk het lemma strenghaken (haken die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden) in wld I.10. [N 17, 40 + 99; JG 1a; monogr]
I-13
|
| 32649 |
strijkbord, riester |
riester:
rēstǝr (Q032a Puth)
|
Het strijkbord, riester of rooster is het op de ploegschaar volgend ijzeren (vroeger houten) blad, dat de grond die door kouter en schaar is losgesneden, omkeert en in de vorige voor schuift. Men zie ook de toelichting bij het lemma ploegschaar. [A 26, 6; Lu 4, 6; JG 1a + 1b; N 11, 31.I.a; N 11A, 85d + 87b + 88b + 89c; monogr.]
I-1
|
| 22085 |
stro |
struu:
štrø̢̢i̢ (Q032a Puth)
|
Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83]
I-4
|
| 33126 |
stro binden |
opbinden:
ǫp˱bęnjǝ (Q032a Puth)
|
Het uitgedorste stro wordt tot bussels samengebonden.Vergelijk ook het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). Opgaven van het type "bussels maken" zijn hier niet opgenomen; het zelfstandig naamwoord is in het lemma ''bussel uitgedorst stro'' (6.1.27) opgenomen. [N 14, 25 en 28; monogr.]
I-4
|
| 21093 |
stroef |
sleeuw:
sjnääj tenj (Q032a Puth),
schlea tenj
schlea (Q032a Puth),
stijf:
sjtief (Q032a Puth)
|
sleeuwe tanden [SGV (1914)] || stroef [DC 26 (1954)] || stroef (een ~ man) [SGV (1914)]
III-2-3, III-3-1
|
| 33091 |
stromijt |
struumijt:
štrø̄mīt (Q032a Puth)
|
Mijt van gedorst stro. [N 5, 86a; N 5A, 82a; monogr.]
I-4
|
| 33856 |
strompelend lopen bij het aantrekken |
toffelen:
tōǝfǝlǝ (Q032a Puth
[(tastend zijn weg zoeken)]
)
|
[N 8, 62k, 73, 79 en 80]
I-9
|
| 24852 |
stronk van een struik |
stronk:
sjtrònk (Q032a Puth)
|
wortelklomp van een struik [N 27 (1965)]
III-4-3
|