| 18808 |
vanzelfsprekend |
natuurlijk:
natuurlijk (L299p Reuver),
vanzelf:
det sjprik fánself (L299p Reuver),
vanzelfsprekend:
vanzelfsjpraekend (L299p Reuver)
|
vanzelfsprekend, natuurlijk [ralik] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24518 |
varen (alg.) |
varen:
WLD
vāārə (L299p Reuver)
|
Varen, een exemplaar van de klasse van overblijvende sporendragende planten (varen, varink, portemonnaie, paddevaal, vaar, foezjéér, vlaander, hanekam) [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 34297 |
varken |
varken:
vɛrkǝ (L299p Reuver),
varkentje:
vɛrkskǝ (L299p Reuver)
|
Bedoeld wordt een varken in het algemeen, niet geslachtelijk of naar leeftijd onderscheiden. [N 19, 1; N M, 7; N C; N C, add.; RND 46 en 84; L 8, 19; L 8, 32; L mon.; S 39; JG 1a, 1b, 2c add.; R (s]
I-12
|
| 34298 |
varken (bijzondere namen) |
kuus:
kus (L299p Reuver)
|
In de Nijmeegse vragenlijst 19 vraag 2 werd gevraagd: "Kent uw dialect bijzondere namen voor varken?" In het lemma ''varken'' (1.1.1) zijn de algemene benamingen voor het varken ondergebracht; in dit lemma de bijzondere. Er is overlapping in de naamgeving. [N 19, 2; monogr.; Vld]
I-12
|
| 34316 |
varken van acht tot twaalf weken |
scheuteling:
šø̄tǝleŋ (L299p Reuver)
|
De benamingen duiden doorgaans op een big van acht tot twaalf weken. Het gewicht van dit varken varieert van ongeveer 30 kg tot ongeveer 50 kg. [N 19, 4a; N 76, 3c; N C, 9c; JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49b; L 37, 49e; L 3, 2b; L 1a-m; A 4, 4b; Gwn; monogr.; N C, add.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkenshok:
vɛrkǝshǫk (L299p Reuver),
varkensstal:
vɛrkǝs[stal] (L299p Reuver)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 34368 |
varkenston |
varkenston:
vɛrkǝston (L299p Reuver)
|
Ton om gekookt varkensvoer in te bewaren. Zie voor de benamingen van "varkensketel" het lemma ''varkensketel'' in wld I.6 (2.2.11). [N 18, 131; monogr.]
I-12
|
| 33393 |
varkenstrog |
varkensbak:
vɛrkǝs˱bak (L299p Reuver),
voerbak:
vōrbak (L299p Reuver)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 20646 |
varkensvet |
smout:
sjmalt (L299p Reuver)
|
reuzel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 18427 |
vaste boord |
boord:
baoRd (L299p Reuver),
vaste kraag:
vaste kraag (L299p Reuver)
|
Hoe noemt U: de boord [N 62 (1973)] || kraag, vaste halsboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|