| 23217 |
luiden |
luiden:
de klok leujen (Q168a Rijkhoven),
de klok louen (Q168a Rijkhoven)
|
De klok luiden. [ZND 30 (1939)]
III-3-3
|
| 23252 |
luiden voor de mis |
luiden voor de mis:
et leuid voer de mes (Q168a Rijkhoven),
’t leuït vor de més (Q168a Rijkhoven)
|
Het luidt voor de mis. [ZND 30 (1939)]
III-3-3
|
| 19029 |
luilak |
luilap:
ook materiaal znd 30, 42 (luiaard)
leülap (Q168a Rijkhoven),
vuil beest:
ook materiaal znd 30, 42 (luiaard)
vaol biest (Q168a Rijkhoven),
vuil-prij:
ook materiaal znd 30, 42 (luiaard)
voul-prij (Q168a Rijkhoven),
vuilbeest:
ook materiaal znd 30, 42 (luiaard)
voulbees (Q168a Rijkhoven)
|
luilak [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 17734 |
luisteren |
luisteren:
goed leusteren (Q168a Rijkhoven),
goed lusteren (Q168a Rijkhoven)
|
goed luisteren [ZND 30 (1939)]
III-1-1
|
| 22060 |
luizen |
luizen:
luis (Q168a Rijkhoven)
|
Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: luizen [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 31582 |
luns |
leun:
līęn (Q168a Rijkhoven)
|
Metalen spie die door een gat in het uiteinde van de wagenas wordt gestoken om te verhinderen dat het wiel van de as kan afdraaien. Zie ook afb. 216. [N G, 50c; N 17, 63; JG 1a; JG 1b; Wi 13, add.; L 39, 22, add.; div.]
II-11
|
| 19214 |
lust hebben om te luieren |
laf:
laf (Q168a Rijkhoven)
|
lust om te luieren [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 20486 |
lusten |
mogen:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
mjoog (Q168a Rijkhoven)
|
lusten (die soep lust ik niet) [ZND 30 (1939)]
III-2-3
|
| 33057 |
maaidorser |
maaidorser:
māi̯dǫ.sǝr (Q168a Rijkhoven)
|
Deze machine dorst niet alleen, maar maait het eerst af, dorst het vervolgens, en bindt het stro ook tot pakken bijeen. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 31868 |
maaien |
maaien:
māǝ (Q168a Rijkhoven)
|
Vóór het verschijnen van de maaimachines werd het gras in het algemeen met de zeis gemaaid; de lemma''s van deze paragraaf hebben dan ook alleen op het maaien met de zeis betrekking. Aan het slot van de paragraaf over de zeis komt de grasmaaimachine zelf nog ter sprake. Hieronder zijn opgenomen de algemene benamingen voor het maaien: het afsnijden van het gras, het koren of een ander gewas met de zeis. In dit lemma en in de klankkaart wordt het woord maaien zèlf gedocumenteerd; in het volgende lemma, ''gras (af)maaien'', worden dan de specifieke of afwijkende woorden en woordvormen met betrekking tot het gras opgenomen. Zo zullen in de aflevering over de Akkerbouw de specifieke woorden voor het maaien van het graan en de andere gewassen worden gegeven. In de klankkaart is de klankkleur en de lengte van de klinker aangegeven; korte klinkers hebben een toevoeging aan het symbool. De aan- en afwezigheid van de j-klank is niet in kaart gebracht, maar uit de varianten in het lemma zelf af te lezen; per aangegeven klankkleur staan steeds de varianten met j-klank vooraan. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in kaart gebracht.' [N 11, add.; N 14, 86 add.; N 18, 67 add.; JG 1a, 1b; A 2, 70; A 3, 38, 40d; A 23, 16; L A2, 325, 483; L 4, 38; L 35, 85; L 39, 41; R 1; RND 122; S 22 add.; Wi 40; Lu 2, 34 II; monogr.]
I-3
|