| 23214 |
kerk |
kerk:
kərk (Q158p Riksingen)
|
De kerk. [ZND 12 (1926)]
III-3-3
|
| 20256 |
kerkhof |
kerkhof:
o
hət keͅrkōͅf (Q158p Riksingen)
|
Kerkhof. [ZND 14 (1926)]
III-3-3
|
| 23298 |
kerkklok |
klok:
de kleupel van de klok (Q158p Riksingen)
|
De klepel van de klok. [ZND 28 (1938)]
III-3-3
|
| 19665 |
keuken |
keuken:
kø̄kə (Q158p Riksingen)
|
keuken [ZND 12 (1926)]
III-2-1
|
| 19496 |
keukenrek |
bredje:
breͅi̯dəkə (Q158p Riksingen)
|
de plank waarop het keukengerief wordt gezet [ZND 32 (1939)]
III-2-1
|
| 21461 |
kibbelen |
deinen:
ze zin wier en ⁄t dainen (Q158p Riksingen)
|
Ze zijn weer aan het kibbelen, twisten. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 18208 |
kiel |
blauw kieltje:
blā kīlkəs (Q158p Riksingen),
kieltje:
kilke (Q158p Riksingen)
|
kiel (kledingstuk voor mannen) [ZND 27 (1938)] || kiel, blauwlinnen of katoenen jasje van werklieden en boeren [keel, toekiel, kletsjet, plankerten] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
kiemen:
kīmǝ (Q158p Riksingen),
kijnen:
kē̜i̯nǝ (Q158p Riksingen),
schieten:
šītǝ (Q158p Riksingen)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 17764 |
kies |
dikke tand:
dökkə tān (Q158p Riksingen),
dökə tānt (Q158p Riksingen),
eene ordenaire dikke taand (Q158p Riksingen),
eenen eiste dikke tand (Q158p Riksingen)
|
baktand [ZND 01u (1924)] || Baktanden (dikke tanden). [ZND 07 (1924)] || een dikke tand; indien er twee verschillende woorden bestaan, de beide woorden opgeven voor: een dikke tand geheel achter in de mond [ZND 29 (1938)] || een dikke tand; indien er twee verschillende woorden bestaan, de beide woorden opgeven voor: een gewone dikke tand [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 20571 |
kieskauwerig |
kisperachtig:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1(a-m)
kispereitig (Q158p Riksingen)
|
kieskeurig [ZND 27 (1938)]
III-2-3
|