| 34126 |
koe met gebogen, opgezette rug |
hoge rug:
hǭgǝ røx (L373p Roosteren),
kromme rug:
kromǝ røk (L373p Roosteren),
kromǝ røx (L373p Roosteren)
|
[N 3A, 145c]
I-11
|
| 34124 |
koe met hellend kruis |
hangend kruis:
haŋǝnt kryts (L373p Roosteren),
hangkont:
haŋkǫnjtj (L373p Roosteren)
|
[N 3A, 145a; monogr.]
I-11
|
| 34122 |
koe met korte poten |
diepe koe:
dēpǝ ku (L373p Roosteren)
|
[N 3A, 142b]
I-11
|
| 34121 |
koe met lange poten |
ondiepe koe:
ǫndēpǝ ku (L373p Roosteren)
|
[N 3A, 142a]
I-11
|
| 34045 |
koe met rode vlek op de poot |
vlekpoot:
vlɛkpūǝt (L373p Roosteren)
|
[N 3A, 138]
I-11
|
| 34125 |
koe met slappe, doorgezakte rug |
slappe rug:
slapǝ røx (L373p Roosteren),
weke rug:
wē̜i̯kǝ rø̜k (L373p Roosteren)
|
[N 3A, 145b]
I-11
|
| 34044 |
koe met witte vlek of streep op het voorhoofd |
bles:
blɛs (L373p Roosteren),
kol:
kǫl (L373p Roosteren)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 135a; N 3A, 136a]
I-11
|
| 34213 |
koeherder |
hoeder:
hø̄jǝr (L373p Roosteren),
koeherd:
kuhɛrt (L373p Roosteren)
|
Zie ook het lemma ''koewachter, veeknecht'' (1.3.14) in wld I.6, blz. 23-25. [N 3A, 12b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34102 |
koeienmaag |
pens:
pɛns (L373p Roosteren)
|
Bedoeld is hier de koeienmaag in haar geheel. [N 3A, 120; A 9, 11]
I-11
|
| 33371 |
koeienstand |
bed:
bęt (L373p Roosteren)
|
Dat deel van de stal waar de koeien staan en dat gelegen is tussen de stalpalen en de mestgoot of het mestbed. De koeienstand in moderne stallen is iets hoger dan de mestgoot en mestgang er achter, waardoor voorkomen wordt dat de koeien in de mest en gier staan staan of liggen. Sommige woordtypen betreffen de vloer of het soort vloer waar de koeien op staan. De meervoudsvormen hebben doorgaans betrekking op de dubbele stal waar het telkens om twee koeienstanden gaat, die tegenover elkaar geplaatst zijn. Zie afbeelding 10. [N 5A, 40b; N 4, 79; A 10, 9a en 14; Gwn 4, 7; monogr.]
I-6
|