| 34048 |
mestkalf |
mastkalf:
mast[kalf] (L420p Rotem),
mestkalf:
mɛst[kalf] (L420p Rotem)
|
Kalf dat gehouden wordt voor de slacht. Woordtypen als kistkalf, hokkalf, plankkalf duiden op een kalf dat vet gemest wordt in een kist of box. Zie voor de fonetische documentatie van (kalf)en (kalfje) het lemma ''kalf'' (3.1.1). [N 3A, 75b; N 3A, 76; N C, 8; S 14; monogr.]
I-11
|
| 24335 |
mestkever |
strontkever:
strontkīvər (L420p Rotem),
strontvlieg:
strontvleeg (L420p Rotem),
strontworm:
strontworm (L420p Rotem)
|
mestkever [ZND 14 (1926)]
III-4-2
|
| 33408 |
mestplank onder de zitstokken |
mestrek:
møstrɛk (L420p Rotem)
|
De plank onder de zitplaats van de kippen die dient om de mest op te vangen. In L 245, P 51,174, 222, Q 9, 77, 88, 93 en 118 kende men een dergelijke voorziening niet; daar vielen de uitwerpselen gewoon op de vloer. [N 5A, 63b; A 48, 16g]
I-6
|
| 32581 |
mestspade, mestmes |
mestschup:
[mest]šø̜p (L420p Rotem),
meststik:
[mest]stek (L420p Rotem)
|
Het voorwerp waarmee men het in het vorige lemma bedoelde werk verrichtte. Dit gereedschap werd ook wel gebruikt voor het afsteken van ingekuild veevoeder of geperst hooi. Van de onderstaande termen zijn er vele niet specifiek voor de meststeker: zij noemen een bepaald soort gerei dat ook voor ander werk te gebruiken is. Voor de varianten van mest zij verwezen naar het lemma (stal)mest. [N 18, 15 + 21d; N 5A, 50b; N 11A, 12; monogr.]
I-1
|
| 33622 |
mestvaalt |
mestem:
meͅstəm (L420p Rotem),
mesthoop:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mesthoup (L420p Rotem)
|
[Goossens 1b (1960)] [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 34364 |
mestvarken |
mastvarken:
masfɛ.rkǝ (L420p Rotem)
|
Een varken dat gehouden worden om vet te mesten. [JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49e; N C, add.; N 19, Q 111 add.; N 19, Q 204a add.; monogr.]
I-12
|
| 34453 |
met de horens stoten, gezegd van de bok |
botsen:
butsǝ (L420p Rotem),
stoten:
stūǝtǝ (L420p Rotem)
|
[N 19, 75]
I-12
|
| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
terug-op stoten:
trø̜k˱ǫp stutǝ (L420p Rotem)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 17868 |
met de linkerhand |
met de linkse hand:
met de lainkse hand (L420p Rotem)
|
met de linkerhand [ZND 37 (1941)]
III-1-2
|
| 25389 |
met de poten roeren |
osweken:
lǫswęjkǝ (L420p Rotem)
|
Met de poten in het water bewegen om zo de haren beter te kunnen weken. [N 28, 22; monogr.]
II-1
|