| 21310 |
dief |
dief:
deef (Q098p Schimmert)
|
dief [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19080 |
dienst |
dienst:
deens (Q098p Schimmert)
|
dienst [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 23797 |
dienst van goede vrijdag |
goede-vrijdagdienst:
Gooje Vrīēdig dēēns (Q098p Schimmert)
|
De "houten mis", de Goede Vrijdagdienst [hultsere Maes]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 21756 |
dienstplicht moeten doen |
opmoeten:
opmôtte (Q098p Schimmert),
opmôôte (Q098p Schimmert)
|
zijn militaire dienst vervullen [opmoeten, binnenmoeten] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24300 |
dier, beest |
dier:
deer (Q098p Schimmert)
|
dier [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 17676 |
dij |
bats:
bats (Q098p Schimmert),
batse (Q098p Schimmert),
dik van het been:
dik van het bein (Q098p Schimmert)
|
dij [SGV (1914)] || dij - welk gedeelte van het lichaam wordt er mee bedoeld? [DC 01 (1931)] || dijen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 21155 |
dijk |
dijk:
diek (Q098p Schimmert),
dièk (Q098p Schimmert)
|
een weg tussen twee sloten (dijk) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33520 |
dik sap van steenvruchten |
koekoeksbrood:
WLD
koekoeksbrŏad (Q098p Schimmert)
|
stijf geworden sap uit steenvruchte (kriekskesspouw, vogelesnot, most, gom, snot, spek, vogelhum, koekoeksbrood, vogelteer). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 20532 |
dik worden |
dikken:
dikke (Q098p Schimmert),
pappen:
pappe (Q098p Schimmert),
stijf:
sjtīēf (Q098p Schimmert)
|
dik worden; Hoe noemt U: Dik worden, gezegd van b.v. pap (dijen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33903 |
dikke hakken |
hazehak:
(mv)
hāzǝhakǝ (Q098p Schimmert)
|
Verdikking aan de achterkant van het spronggewricht tengevolge van vochtophoping, die kan ontstaan door trappen, stoten of slaan tegen harde voorwerpen. Het is duidelijk merkbaar als men het achterbeen van opzij bekijkt. Zie afbeelding 17 en 18. [N 8, 90d, 90e, 90f, 90h en 90j; monogr.]
I-9
|