| 17916 |
omarmen |
omarmen:
omèrme (Q098p Schimmert),
pakken:
pakke (Q098p Schimmert),
snappen:
schnâppe (Q098p Schimmert),
spannen:
sjpannə (Q098p Schimmert)
|
omvatten, Met gestrekte armen ~ (vademen, omvademen, spannen, omarmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 29086 |
omboorden |
boorden:
bø̄rǝ (Q098p Schimmert)
|
Omboorden in het algemeen oftewel het insluiten van een rafelkant met een enkele of dubbele bies en in het bijzonder het met en lint afzetten van een colbert. [N 59, 86; N 62, 17; MW]
II-7
|
| 23455 |
omgang van de toren |
omgang:
den ŭmgang (Q098p Schimmert)
|
De omgang, de trans van de toren. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33664 |
omheinde wei |
gebaalde wei:
gǝbajdǝ węi̯ (Q098p Schimmert)
|
Een met prikkeldraad of anderszins afgemaakte wei. Een groot aantal opgaven was wei. Deze opgaven zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. Voor de fonetische documentatie van wei zie men lemma 1.3.6 ɛweiɛ.' [N M, 4b; L 32, 45; monogr.]
I-8
|
| 33745 |
omheinen |
afrasteren:
āfrāstǝrǝn (Q098p Schimmert),
tuinen:
tȳnǝ (Q098p Schimmert)
|
Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 23479 |
omheining van het kerkhof |
kerkhofmuur:
kèrkefmōēr (Q098p Schimmert)
|
De muur, de omheining van het kerkhof [toen, toun, tuun?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 17917 |
omhelzen |
om de hals vallen:
ŏĕm den haauws vallen (Q098p Schimmert)
|
omhelzen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17850 |
omhooggaan |
naar boven gaan:
nao bove gaon (Q098p Schimmert),
rijzen:
rieze (Q098p Schimmert),
stijgen:
sjtīēgə (Q098p Schimmert)
|
rijzen: Naar boven gaan, omhooggaan (rijzen, stijgen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33792 |
omhulsel van het teellid |
koker:
kǭkǝr (Q098p Schimmert)
|
Schede van de roede. [JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 29056 |
omslag |
omslag:
omšlāx (Q098p Schimmert)
|
Omslag in het algemeen. Boord of rand, doorgaans van verschillende stof of kleur, of met borduurwerk voorzien, welke aan de hals, de mouwen enz. van kledingstukken bevestigd is en bestemd is om omgeslagen of omgevouwen te worden. [N 62, 34e; MW]
II-7
|