| 29921 |
metselen |
metselen:
mętsǝlǝ (Q030p Schinveld),
muren:
mūrǝ (Q030p Schinveld)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29942 |
metselkoord |
metselkoord:
mętsǝlkō̜rt (Q030p Schinveld)
|
Het koord dat men spant om daarlangs te metselen. Aan beide uiteinden kunnen twee priemen bevestigd zijn waarmee het koord in de voegen van het metselwerk wordt vastgezet. Zie ook het lemma 'priemen'. Het woordtype snoergerust (Q 121) was een benaming voor het metselkoord met toebehoren. Zie ook afb. 4. [N 30, 14a; monogr.]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
gewassen zand:
gǝwašǝ zanjt (Q030p Schinveld
[(uit de grindgroeve)]
),
grofgezeefd zand:
grǭf˲gǝzēft ˲zanjt (Q030p Schinveld),
grove metselzand:
grǭvǝ mɛtsǝlzantj (Q030p Schinveld),
maaszand:
mās˲zanjt (Q030p Schinveld)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 20513 |
metworst |
kookworst:
kaokwôësj (Q030p Schinveld),
metworst:
metwors-j (Q030p Schinveld),
varkensvlees gerookt
métwôêsj (Q030p Schinveld)
|
metworst [N 06 (1960)] || metworst; Hoe noemt U: Worst met gehakt (varkens)vlees (metworst, snijworst, saucisse) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
midich (Q030p Schinveld)
|
middag [RND]
III-4-4
|
| 17838 |
middagdutje |
ungertje:
unjerke (Q030p Schinveld)
|
middagdutje [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17839 |
middagdutje doen |
ungertje houden:
een unjerke hauwte(n) (Q030p Schinveld)
|
middagdutje [een ~ doen] [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 20573 |
middagmaal |
noen, de -:
middagmaal
noon (Q030p Schinveld)
|
maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24352 |
mier |
aamzeik:
aomzeek (Q030p Schinveld)
|
mier [zeikdemp(el), -lem, -meik, -diem, -worm, -mier, moer-, muurzeiker, aomzeiksel, aomezeik] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24423 |
mierenei |
aamzeikenei:
aomzekeēēj (Q030p Schinveld)
|
mierenei [zeekmoejerseike] [N 26 (1964)]
III-4-2
|