| 26113 |
naald |
naalde:
nǭj (Q030p Schinveld)
|
De naald is een draad gehard staal, voorzien aan de ene zijde van een spitse punt en aan de andere zijde van een oog om de draad door te steken. De kleermaker of naaister gebruikt ze om te naaien, te stoppen of te borduren. Men kent naalden in verschillende lengtes en diktes. De keuze van de naald hangt af van het beoogde doel, de draad en dikte van de draad en de dikte van de stof (Gerritse, pag. 26 en 27). [N 59, 11a; N 62, 49a; N 62, 49c; L 5, 2; L 8, 29; L B1, 76; Gi 1.IV, 13a; MW; Wi 6; S 25; monogr.]
II-7
|
| 23324 |
naar de kerk |
naar de kerk:
noa gen kirk (Q030p Schinveld),
naar een kerk:
noa n kirk (Q030p Schinveld)
|
naar [~ de kerk] [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 17848 |
naar huis gaan |
heimwaarts gaan:
heiveš goa (Q030p Schinveld),
naar heim gaan:
noa heim goa (Q030p Schinveld),
naar huis gaan:
noa hoəs goa (Q030p Schinveld)
|
naar huis gaan [DC 03 (1934)]
III-1-2
|
| 34013 |
naar links |
haar:
hār (Q030p Schinveld)
|
Voermansroep om het paard naar links te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95 c, 95d en 96; L 1 a-m; L B 2, 255; L 26, 2; L 36, 81c; S 12; monogr.]
I-10
|
| 34014 |
naar rechts |
hot:
hǫt (Q030p Schinveld)
|
Voermansroep om het paard naar rechts te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95a en 96; L 1 a-m; L B 2, 256; L 26, 2; L 36, 81d; S 12; monogr.]
I-10
|
| 24213 |
nachtegaal |
nachtegaal:
nachtegaal (Q030p Schinveld)
|
nachtegaal [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 18608 |
nachtjapon |
nachtpon:
nachtpon (Q030p Schinveld),
nachtskleed:
nachtsklêêd (Q030p Schinveld)
|
nachtjapon [nachtpon, bedjak, nachtjak, jak] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18607 |
nachtkleren |
nachtkleren:
nachtklèjer (Q030p Schinveld)
|
nachtkleding in het algemeen [t naachtdinge] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18937 |
nadeel |
nadeel:
naodeel (Q030p Schinveld),
scha:
sja (Q030p Schinveld)
|
nadeel [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 20138 |
nageboorte |
nageboorte:
naogebeurtə (Q030p Schinveld),
naogeboortə (Q030p Schinveld)
|
nageboorte van de mens; hoe noemde men vroeger - -? [DC 33 (1961)]
III-2-2
|