| 17728 |
schemeren van de ogen |
demeren:
⁄t daemert (L266p Sevenum)
|
schemeren voor de ogen, sterretjes zien [mijn oogen schiemere] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25023 |
schemering, valavond |
schemer:
schaemer (L266p Sevenum)
|
schemering, de overgang van licht naar donker [grouwe, griebelegrouwe] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 20510 |
schenkel |
bats:
bats (L266p Sevenum),
bàts (L266p Sevenum),
schenkel:
schenkel (L266p Sevenum)
|
Bovenbeen boven de knie. Zie afbeelding 2.39. [N 8, 32.8, 32.9, 32.10 en 32.11] || schenkel; Hoe noemt U: Het onderste gedeelte van de achterpoot van een rund met het vlees eraan (schinkel, schenkel, bout, schenk, schonk) [N 80 (1980)]
I-9, III-2-3
|
| 19564 |
schenkkan |
bierkan:
(vroeger uit zo\'n karaf op bv. bruiloften).
beerkan (L266p Sevenum),
kan:
kan (L266p Sevenum)
|
karaf in het algemeen [N 20 (zj)] || karaf; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden (bierkrachtje, jeneverkrachje); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 26872 |
schepemmer |
houteren emmers:
hǫwtǝrǝn ɛmǝrs (L266p Sevenum)
|
Met een schepemmer brengt men na het aan-trappen nog eens water over de specie heen. [I, 104g]
II-4
|
| 18298 |
scheren |
scheren:
schaer (L266p Sevenum),
scheire (L266p Sevenum),
schère (L266p Sevenum)
|
scheren [DC 38 (1964)]
III-1-3
|
| 21813 |
scherp de waarheid zeggen |
uitschoppen:
oetschoeppe (L266p Sevenum),
ps. boven de oë (van ...schoëpe) staat nog een lengteteken; deze combinatieletter kan ik niet maken/omspellen!
oëtschoëpe (L266p Sevenum)
|
iemand scherp de waarheid zeggen [blijspeten, uitschijten, bijvegen, uitmesten] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 32794 |
scherp eggen |
diep derdoor houden:
dēp ˲dǝrdǭ ̝r hǭi̯ǝ (L266p Sevenum)
|
Werken met een eg die "scherp" is aangespannen. De tanden van de eg staan dan schuin naar voren gericht en gaan dientengevolge diep door de grond heen. Zie afb. 69. De termen zijn primair van toepassing op het werk met de oude houten eg die schuingeplaatste tanden had. In streken waar men gezien de grondsoort met één egtype kon volstaan en bij de bestrijding van onkruid uitsluitend of voornamelijk scherp egde, kan voor "scherp eggen" en "onkruid uiteggen" dezelfde term in gebruik zijn (geweest). Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten, zien men de toelichting bij het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b add.; N 11A, 173a; N P, 15a; monogr.]
I-2
|
| 34199 |
scherp inhebben |
(het) scherp inhebben:
(de koe heeft) sxɛrp en (L266p Sevenum)
|
Spijsverteringsstoornis die ontstaat doordat de koeien met het voedsel scherpe voorwerpen als stukjes ijzerdraad, spijkers en spelden opnemen. Wanneer deze scherpe voorwerpen in de netmaag terechtkomen, kan er een ernstige spijsverteringsstoornis ontstaan. De dieren herkauwen niet meer, nemen geen voedsel meer op en hebben een lichte trommelzucht. Omdat de netmaag slechts door het middenrif van het hart en hartenzakje gescheiden is, kunnen scherpe voorwerpen gemakkelijk daar terechtkomen. Ze veroorzaken dan een ernstige etterige ontsteking die kan leiden tot de dood van het dier. Zie ook het lemma ''scherp inhebben (ijzer)'' in wbd I.3, blz. 471-472. [N 3A, 93; A 48A, 53]
I-11
|
| 17726 |
scherp kijken |
scherp kijken:
scherp kīēke (L266p Sevenum)
|
kijken: scherp kijken [miere, blieke] [N 10 (1961)]
III-1-1
|