| 32636 |
meerscharige wentelploegen |
dobbelschaar:
[dobbelschaar] (Q116p Simpelveld)
|
Met de onderstaande termen wordt een wentelploeg bedoeld die voorzien is van een twee- of drievoudig stel wentelscharen, waardoor hij telkens twee resp. drie voren tegelijk ploegt. Met de hier vermelde meerscharige wentelploegen wordt - als het tenminste geen zwaar model voor achter de tractor betreft - meestal oppervlakkig ploegwerk verricht. Voor het (...)-gedeelte van de varianten hieronder zij verwezen naar het vorige lemma en het lemma wentelploeg. Voor de woordtypen onder B. geldt wat in het vorige lemma over drie is opgemerkt. [N 11, 30 add.; N 11A, 73; monogr.]
I-1
|
| 21273 |
meester |
meester:
meester (Q116p Simpelveld),
mestər (Q116p Simpelveld),
mäkster (Q116p Simpelveld)
|
(school)meester [RND] || meester [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 31342 |
meetlat, duimstok |
zollstock:
tsǫlštǫk (Q116p Simpelveld)
|
Een in centimeters en/of duimen (inches) verdeelde maatstok van hout of metaal. Het woordtype zollstock (Q 116, Q 121c) duidt een vouwbare meetlat ter lengte van een meter of meer aan die men in de broekzak kan opbergen. Zie ook afb. 74. [N 33, 263; N 64, 84; N 66, 3; monogr.]
II-11
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
maagd:
māt (Q116p Simpelveld)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 24582 |
meidoorn |
doornheg:
-
döre hek (Q116p Simpelveld),
heggendoorn:
hekkedoor (Q116p Simpelveld)
|
haagdoorn [SGV (1914)] || meidoorn, vrucht (Crataegus) [DC 69 (1994)]
III-4-3
|
| 24331 |
meikever |
meikever:
meikefer (Q116p Simpelveld),
meikêver (Q116p Simpelveld),
WBD/WLD
meìkeavər (Q116p Simpelveld)
|
Hoe noemt u de meikever: een soort kever, 24-30mm lang; met dekschild, de poten en sprieten zijn bruinrood, de kop en het borststuk zwart met op de onderzijde een dichte witte beharing; de buiksegmenten zijn zwart met aan elke zijde een opvallende, helwit [N 83 (1981)] || meikever [Roukens 03 (1937)], [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 22618 |
meikoning |
meikoning:
meikunning (Q116p Simpelveld)
|
Meikoning (jonkheid).
III-3-2
|
| 22499 |
meikoningin |
meikoningin:
meikunnigin (Q116p Simpelveld)
|
Meikoningin (jonkheid).
III-3-2
|
| 33553 |
meiraap |
knoebel:
knoebel (Q116p Simpelveld)
|
De meiraap, een vroege variëteit van de raap (meiraap, tolletje, knolletje, kelen, raap). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 20309 |
meisje |
meidje:
mätshe (Q116p Simpelveld),
mêdsje (Q116p Simpelveld)
|
meisje [SGV (1914)]
III-2-2
|