| 33552 |
kweepeer |
kweekpeer:
kwiekpère (P058p Stevoort),
kwikpijer (P058p Stevoort)
|
[ZND 29 (1938)]
I-7
|
| 19105 |
kwezel |
kwezel:
waa’n kweezel (P058p Stevoort),
wat ien kwezel (P058p Stevoort)
|
Wat een kwezel! [ZND 29 (1938)]
III-3-3
|
| 19980 |
kwispelstaarten |
be zijn staart houwen:
bij zijne stat hooën (P058p Stevoort),
kwispelen:
kwespele (P058p Stevoort)
|
kwispelstaarten [ZND 29 (1938)]
III-2-1
|
| 24925 |
laag grond |
laag:
laog (P058p Stevoort),
lōəch (P058p Stevoort)
|
laag (znw.) [ZND 29 (1938)]
III-4-4
|
| 33081 |
laag schoven op de wagen |
laag:
lōx (P058p Stevoort)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''tasser op de wagen'' (5.1.5). Voorkop is de laag op de naar voren uitstekende ladder boven het paard. [N 15, 42; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
bruk (P058p Stevoort)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33699 |
laagte in het landschap |
diepte:
diepte (P058p Stevoort),
laagte:
lēxtǝ (P058p Stevoort)
|
Een laagte in het landschap in het algemeen. Vergelijk ook lemma 1.2.8 ɛlaagte in een akkerɛ.' [L 29, 30; Wi 11; A 10, 4; S 20]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
bot:
botte (P058p Stevoort),
-> e paër botte.
bot (P058p Stevoort)
|
Laars, een paar laarzen [ZND 37 (1941)] || Laars, een paar laarzen (hoge laars met schoen eraan vast) [ZND 37 (1941)]
III-1-3
|
| 34581 |
ladderboom |
leerbalk:
(mv)
līrba.lǝkǝ (P058p Stevoort)
|
Elk van de twee balken van een zijladder waartussen zich de sporten bevinden. [JG 1a; JG 1b]
I-13
|
| 19668 |
lade |
lade van de tafel:
laoə van də tofəl (P058p Stevoort)
|
lade van een tafel [ZND 37 (1941)]
III-2-1
|