| 25162 |
maanx |
maan:
moan (L296p Steyl)
|
maan [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 24879 |
madeliefje |
meizoetje:
męi̯zø̜tjǝ (L296p Steyl),
-
mei zödje (L296p Steyl)
|
Bellis perennis L. Een zeer algemeen voorkomend plantje met losse witte bloempjes, die aan de uiteinden paarsrood kunnen aanlopen, met een geel hartje. Het komt voor in weilanden, op gazons en in bermen en bloeit bijna het hele jaar door, vooral van april tot september. Het varieert in hoogte van 5 tot 15 cm en wordt ook vaak meizoentje genoemd. Door de onzekere etymologie van het woord meizoentje, waarin mei- oorspronkelijk vermoedelijk eerder "weide" dan "mei(maand)" betekent, met zijn vele (volksetymologische) vervormingen, is de onderverdeling van de verschillende typen zeer globaal gehouden. Invoeging van -l- (en -r-) komt voor onder meibloempje en meizoetje; de betrokken varianten staan telkens achteraan in de behandeling van de woordtypen; molenzoetje is echter apart gehouden. [A 17, 1a; A 49B, 1a; L 40, 81; monogr.] || madeliefje [DC 17 (1949)]
I-5, III-4-3
|
| 17554 |
mager |
schraal:
met twee puntjes omdat de klank langer is (voor het gevoel)
sjraöl (L296p Steyl)
|
mager; Hoe noemt U: Mager, niet vet, gezegd van voedsel (schraal, schrekel) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19110 |
maken |
maken:
make (L296p Steyl),
maken (L296p Steyl)
|
maken [DC 02 (1932)]
III-1-4
|
| 20205 |
man |
man:
man (L296p Steyl),
mens:
(of).
mins (L296p Steyl)
|
man [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 26825 |
mand |
mand:
maŋ (L296p Steyl)
|
De algemene benaming voor een uit wissen gevlochten mand. Zie ook afb. 284. Uit het materiaal blijkt dat er niet altijd een onderscheid wordt gemaakt tussen de woorden mand en korf. Als dat wel wordt gedaan, duidt men met het eerste woord eerder een mand met oren aan, terwijl men het tweede gebruikt voor een mand met een hengsel (vgl. Janssens, pag. 24 e.v.). Zie ook het lemma ɛkorfɛ.' [N 20, 48; N 40, 37; L 1 a-m; S 23; monogr.]
II-12
|
| 17984 |
mankeren |
mankeren:
mānkeere (L296p Steyl),
schelen:
sjêle (L296p Steyl)
|
mankeren [SGV (1914)] || schelen, mankeren [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34449 |
mannelijk jong van de geit |
bokje:
bykskǝ (L296p Steyl)
|
[N 19, 71b; N 19, 71a; N 77, 76; A 9, 21]
I-12
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
stierkalf:
stīr[kalf] (L296p Steyl)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 34393 |
mannelijk schaap |
bok:
buk (L296p Steyl),
ram:
ram (L296p Steyl),
rekel:
rē̜kǝl (L296p Steyl)
|
Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.]
I-12
|