| 20750 |
koekje |
droog koekje:
koekjes zonder kreem of chocolade.
dryx kø̄kskəs (L423p Stokkem),
knapkoek:
speciaal soort droge en besuikerde koek (Maaseiker knapkoek).
knapkōk (L423p Stokkem)
|
Welke benamingen kent u voor koekjes (kaffekoekje, sterreke, waterpletske, peekverjenneke, knapkoek?) Wat zijn de verschillen tussen deze? [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24871 |
koekoeksbloem |
sterren:
-
sterre (L423p Stokkem)
|
echte koekoeksbloem [DC 49a (1974)]
III-4-3
|
| 33349 |
koestal |
koestal:
kō[stal] (L423p Stokkem)
|
De stal bestemd voor het rundvee. Soms zijn er voor ouder vee en kalveren aparte stalruimten. Meestal zijn de koestal en de kalverstal in één ruimte, die in zijn geheel "de koestal" wordt genoemd. Men kan de koestal echter ook opvatten als dat deel van de stal waar de koeien staan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [N 5A, 33; N 5, 105g; JG 1a en 1b; A 10, 9a; L 38, 24; R (s]
I-6
|
| 34646 |
koets |
koets:
kūtš (L423p Stokkem)
|
Vierwielig rijtuig met een vierkante gesloten kast voor een klein aantal personen. De kast hangt in riemen of rust op veren. De koetsier heeft een aparte bok. De koets is een van de meest bekende rijtuigen, vandaar dat "koets" ook vaak als algemene benaming voor het vierwielig rijtuig gebruikt wordt. [N 17, 5; N 101, 1-13; N G, 51; L 28, 24; L 36, 70; L A, 288; L 1a-m; S 18; Wi 18; Gi 3,IB; monogr]
I-13
|
| 21140 |
koets (alg.) |
koets:
koets (L423p Stokkem)
|
koets [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 21230 |
koets: sjees |
sjees (<fr.):
Van Dale: sjees (<Fr.), 1. licht, hoog tweewielig rijtuig, met kap.
sjēs (L423p Stokkem)
|
koets [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 34644 |
koetsier |
koetsier:
kutšēr (L423p Stokkem)
|
Persoon die op de bok van een rijtuig zit en de paarden ment. [N 101, 2; Wi 15, monogr]
I-13
|
| 33340 |
koewachter, veeknecht |
koeherd:
kōu̯ērt (L423p Stokkem),
zweitser:
zwē̜ ̞tsǝr (L423p Stokkem)
|
De zweitser is de boerenknecht die, vooral op grote boerderijen met minstens 10 koeien (L 246), speciaal belast is met het melken en de verzorging van het rundvee. Wanneer het bedrijf voor zo''n speciale knecht te klein is wordt de zorg voor de koeien toevertrouwd aan een koewachter (koeherd, koejong; in het zuiden koeter, vatsji), meestal een aankomende knecht, pas van school, die de beesten meeneemt naar de wegbermen om ze daar te laten grazen. Van een koeter en vatsji in West-Haspengouw wordt ook gezegd dat hij (of zij) ook karweitjes in huis verricht, bijvoorbeeld in de keuken; vergelijk Kruijsen (1990) en het lemma "(hard) werken op de boerderij" (1.3.10). Bij koeherd in Q 6 wordt aangetekend: "hij kreeg alleen de kost en de klompen als loon". Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht algemeen" (1.3.12). [N M, 1b; JG 1b, 2c; A 48, 18b; L 26, 32b; monogr.]
I-6
|
| 21265 |
koffer |
koffer:
koffer (L423p Stokkem
[(plat met rabat)]
),
kraam:
krǭm (L423p Stokkem),
platte valies:
platǝ vǝlę ̝js (L423p Stokkem),
valies met rabat:
vǝlę ̝js męt rabat (L423p Stokkem)
|
Platte, vierkante, gevlochten reiskoffer. Sommige hebben een binnendeksel, die op een rabat (rand, kraag) rust. [N 20, 50; N 40, 96; N 40, 109; N 40, 117; monogr.]
II-12
|
| 20864 |
koffie |
koffie:
koͅfij (L423p Stokkem),
žat koͅfi (L423p Stokkem)
|
(koffie) hij doopt zijn brood in zijn koffie [ZND 23 (1937)] || kopje koffie [ZND 45 (1946)]
III-2-3
|