| 26211 |
met alleen de toppen ontbloot |
op koordje:
ǫp kø̄rtjǝ (L318p Stramproy)
|
Gezegd van een molen wanneer deze draait met zeilen die aan de toppen opgerold zijn. Zie ook afb. 44C. [N O, 7g; A 42A, 74; A 42A, add.]
II-3
|
| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
hup zetten:
hø̜i̯p ˲zętǝn (L318p Stramproy)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 33863 |
met de poten dicht bijeen staan |
(te) eng staan:
eŋ stǭn (L318p Stramproy),
ęŋ stǭn (L318p Stramproy)
|
[N 8, 78a en 78b]
I-9
|
| 33862 |
met de poten te ver uit elkaar staan |
(te) hol staan:
hōl stǭn (L318p Stramproy)
|
[N 8, 78b]
I-9
|
| 29198 |
met de snelspoel weven |
weven met de snelderspoel:
wē̜vǝ męt dǝ snɛldǝrspūǝl (L318p Stramproy),
weven met de sneljager:
wē̜vǝ męt dǝ snɛljāgǝr (L318p Stramproy)
|
Weven op een getouw dat met de snelspoel of vliegende spoel werkt. [N 39, 108e]
II-7
|
| 33855 |
met de voorpoten harkend over de grond krabben |
dabben:
dabǝ (L318p Stramproy)
|
Met de hoeven in de aarde krabben of wroeten. [JG 1a; N 8, 74]
I-9
|
| 22641 |
met een drijftol spelen |
poppernellen:
poepernellen (L318p Stramproy)
|
Hoe noemt men het spelen met dit speelgoed [kinderspeelgoed dat paddestoel- of kegelvormig is en dat met een zweep wordt voortgedreven]? [DC 24 (1953)]
III-3-2
|
| 26214 |
met een kwart van het zeil |
storm:
storm (L318p Stramproy)
|
Gezegd van een molen die draait met een kwart van het zeil bij. Zie ook afb. 44A. [N O, 7j; A 42A, add.; N O, 7h]
II-3
|
| 22760 |
met een priktol spelen |
doppen:
dobben (L318p Stramproy)
|
Hoe noemt men het spelen met dit speelgoed [een stuk speelgoed dat in beweging wordt gebracht met behulp van een touwtje dat er omheen wordt gedraaid]? [DC 24 (1953)]
III-3-2
|
| 26213 |
met halve zeilen |
half:
halǝf (L318p Stramproy)
|
Gezegd van een molen wanneer hij draait met de zeilen voor de helft opgerold. Zie ook afb. 44B. [N O, 7i; A 42A, add.; A 42A, 74 add.; N O, 5i; N O, 5h; N O, 7h]
II-3
|