| 32928 |
opper |
berm:
bɛrm (L318p Stramproy),
huist:
hust (L318p Stramproy),
opper:
ǫpǝr (L318p Stramproy)
|
De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.]
I-3
|
| 18030 |
oprispen |
rupselen:
röpselen (L318p Stramproy)
|
Hoe noemt men in uw dialekt oprispen, opbreken van eten of drinken? [DC 47 (1972)]
III-1-2
|
| 34020 |
opstaan |
hop:
hǫp (L318p Stramproy)
|
Voermansroep om het paard op te doen staan. [N 8, 95j]
I-10
|
| 32936 |
opsteker |
opsteker:
ǫpstē̜kǝr (L318p Stramproy)
|
Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a]
I-3
|
| 32938 |
optassen, vouwen |
laden:
lāi̯ǝ (L318p Stramproy)
|
Het eigenlijke laden van het hooi op de wagen. Vooral op de Kempense ladderkarren, zonder dichte zijschotten (zie het lemma ''hooikar'') is dit laden een zorgvuldig karwei: de bussels hooi worden dan met een draaiende slag, een "vouw", vast tegen elkaar aan gestapeld. Om praktische redenen moest er met zorg geladen worden: er moest immers zoveel mogelijk hooi op de wagen geladen worden; maar ook om redenen van beroepstrots: een goedgeladen oogstwagen is de trots van de boer. Om een slechtgeladen wagen zal hij worden bespot. [N 14, 120; A 34, 6]
I-3
|
| 32939 |
optasser |
lader:
lāi̯ǝr (L318p Stramproy)
|
Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b]
I-3
|
| 26249 |
optempelen |
optempelen:
ǫptęmpǝlǝ (L318p Stramproy)
|
De roeden of de molenas met behulp van de tempel optillen. In l 318 en l 321 werd dit werk altijd door de molenmeester (mø̄lǝmęjstǝr) maar nooit door de molenaar zelf gedaan. [N O, 35b]
II-3
|
| 33730 |
optilbaar hek |
poort:
port (L318p Stramproy)
|
Het niet draaiend maar uitneembaar hek aan de ingang van een wei. [N 14, 68b; A 25, 5e; monogr.]
I-8
|
| 17900 |
optillen |
opheffen:
òphøfə (L318p Stramproy)
|
optillen [RND]
III-1-2
|
| 34000 |
optuigen |
haam aandoen:
hām āndōn (L318p Stramproy)
|
Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.]
I-10
|