| 33381 |
paardestal |
paardsstal:
pē̜ ̞r(t)s[stal] (L318p Stramproy)
|
De stal of ruimte waar het paard of de paarden staan. Het woordtype voerderij voor voergang in de paardestal kan wel uitbreidend gebezigd worden voor de paardestal in zijn geheel. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). (Paardsstal)-varianten waarvan het (stal)-gedeelte een kleurloze vocaal vertoont, zijn voluit en fonetisch genoteerd, omdat deze tweede component als simplex niet voorkomt met een kleurloze vocaal. Zie de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5, 105e; A 10, 9c; L 38, 26; Wi 18; S 50; monogr.; add. uit N 5A, 59 en 73a]
I-6
|
| 29636 |
paardetuig |
getuig:
gǝtȳx (L318p Stramproy),
paardsgetuig:
pē̜rts˲gǝtȳx (L318p Stramproy)
|
De naam voor het paardetuig in het algemeen. [JG 1a, 1b; N 13, 80; monogr.]
I-10
|
| 33333 |
pachtboer |
halfer:
halfǝr (L318p Stramproy)
|
Halfer e.d. vanwege de helft, die de pachter van de oogst kon behouden. [S 27; Wi 2; monogr.; add. uit A 10, 2bI]
I-6
|
| 24362 |
pad |
pad:
ped (L318p Stramproy)
|
pad [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 24534 |
paddestoel (alg.) |
paddestoel:
padəstul (L318p Stramproy)
|
paddestoel [RND]
III-4-3
|
| 18170 |
pak, kostuum |
pak:
pak (L318p Stramproy)
|
Je moet een nieuw pak kopen. [DC 41 (1966)]
III-1-3
|
| 29177 |
paleiriemen |
riemen:
rēmǝ (L318p Stramproy)
|
De riemen, eventueel met leren lusjes, die over de wel hangen en waarover de weeframen van de weefkam zijn opgehangen en op en neer bewogen worden. [N 39, 34c]
II-7
|
| 24293 |
paling, aal |
aal:
aol (L318p Stramproy),
geen verschil
aol (L318p Stramproy),
paling:
paoling (L318p Stramproy),
geen verschil
paoling (L318p Stramproy)
|
aal, paling [DC 10 (1941)]
III-4-2
|
| 19434 |
pannen schuren |
schuren:
šōrə (L318p Stramproy)
|
metaal met behulp van water en zand of andere schurende middelen vlekvrij en glanzend maken [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 19443 |
pannenlap |
pannenlap:
pannelap (L318p Stramproy)
|
lap waarmee men hete voorwerpen van het vuur neemt (kwezel) [N 20 (zj)]
III-2-1
|