| 20535 |
spetteren |
knetteren:
knettere (L318p Stramproy)
|
sudderen; Hoe noemt U: Knetteren van de boter in de pan bij verhitting (snerken, sudderen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26360 |
spie |
spie/spij:
spi(i̯) (L318p Stramproy)
|
De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2]
I-3
|
| 26219 |
spiegel van de askop |
voorkant:
vø̄rkanjt (L318p Stramproy)
|
De voorkant van de askop. Zie ook afb. 46. [N O, 10d]
II-3
|
| 18202 |
spijkerbroek |
jeans:
zjīēns (L318p Stramproy)
|
Spijkerbroek (jeans). Hoe noemt de dialectsprekende jeugd in de plaats waarvoor u het dialekt optekent dit? [DC 58 (1983)]
III-1-3
|
| 18203 |
spijkerjas |
jeansjak:
zjiens-jék (L318p Stramproy)
|
Spijkerjasje. Hoe noemt de dialectsprekende jeugd in de plaats waarvoor u het dialekt optekent dit? [DC 58 (1983)]
III-1-3
|
| 26296 |
spilgat in de ijzerbalk, schaarde |
loop:
løp (L318p Stramproy)
|
Gat in de ijzerbalk, waarin het bovenste uiteinde van het staakijzer draait. Het spilgat is zo geconstrueerd, dat het staakijzer er op eenvoudige wijze uit verwijderd kan worden. Doorgaans bestaat de lagering van de tap van het staakijzer uit één of twee blokken hout, waarvan er één gemakkelijk uitgelicht kan worden. Zie ook afb. 61 en het lemma ɛnootɛ.' [N O, 14j]
II-3
|
| 24379 |
spin |
spin:
spen (L318p Stramproy)
|
spin [RND]
III-4-2
|
| 20121 |
spinnen |
spinnen:
spęnǝ (L318p Stramproy)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.]
II-7
|
| 24381 |
spinnenweb |
spinnenweb:
spenəwɛp (L318p Stramproy)
|
spinnenweb [RND]
III-4-2
|
| 18088 |
spit |
spit:
spit (L318p Stramproy)
|
Een plotseling optredende, lang aanhoudende spierkramp die bij een bepaalde beweging, meestal aan 1 zijde, in de lendenspieren optreed? (Nederlands: spit) [DC 60 (1985)]
III-1-2
|