| 25852 |
sponnen |
de bon derop doen:
dǝ bǫn drǫp dōn (L318p Stramproy),
toemaken:
tumākǝ (L318p Stramproy)
|
Vaten met behulp van een spon afsluiten. [N 35, 92]
II-2
|
| 19806 |
spons |
spons:
spoͅns (L318p Stramproy)
|
spons om ruiten mee schoon te maken [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 26014 |
spoorstijl |
hangselstijl:
haŋsǝlstīl (L318p Stramproy)
|
Elk van de vier loodrechte balken, in het midden van de onderste helft van iedere zijweeg twee, waartussen de uiteinden van de steenbalk opgesloten liggen. Zie ook afb. 16. [N O, 43g]
II-3
|
| 26307 |
spoorwiel |
kroonrad:
krū ̞ǝnrāt (L318p Stramproy),
spoorrad:
spōrrāt (L318p Stramproy)
|
Het kamrad onder aan de koning dat in de rondsels of bonkelaars van de staakijzers grijpt; de kammen staan ofwel loodrecht op de wielschijf of in het verlengde ervan. Zie ook afb. 59, 63 en 64.26. In l 381b bevindt het spoorwiel zich op de steenzolder van de molen. [N O, 50i; N O, 50j; A 42A, 104, Sche 41]
II-3
|
| 34483 |
sporen van de haan |
hanensporen:
hānǝspōrǝ (L318p Stramproy),
sporen:
spōrǝ (L318p Stramproy)
|
Doornachtige hoornuitwas van de poten van de haan. [N 6, 3; L 7, 27b; monogr.]
I-12
|
| 19707 |
sport van een stoel |
sproot:
sprōt (L318p Stramproy)
|
ronde of vierkante latten, die soms de poten van een stoel aan de onderzijde verbinden [DC 19 (1951)]
III-2-1
|
| 24249 |
spreeuw |
spreeuw:
sprieuw (L318p Stramproy),
sprîêw (L318p Stramproy)
|
Hoe heet de spreeuw? [DC 06 (1938)] || spreeuw
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
kallen:
kallə (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy),
praten:
praoten (L318p Stramproy)
|
praten [DC 02 (1932)] || spreken; ik versta jullie niet, jullie moeten een beetje harder - [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 29180 |
springhouten |
scheien:
šęjǝ (L318p Stramproy),
scheitjes:
šęjkǝs (L318p Stramproy)
|
De aan de onderkamlat van een weefraam gebonden latten waaraan het koord van de dwarstrede vastzit. [N 39, 37]
II-7
|
| 24382 |
sprinkhaan |
sprinkhaan:
sprinkhaan (L318p Stramproy)
|
sprinkhaan [DC 07 (1939)]
III-4-2
|