| 24251 |
steenuil |
koet:
koet (L318p Stramproy)
|
steenuil
III-4-1
|
| 26060 |
steenzolder van de windmolen |
steenzolder:
steenzolder (L318p Stramproy),
stęjnzǫldǝr (L318p Stramproy)
|
De verdieping van de windmolen waar zich de molenstenen bevinden. Zie ook het lemma ɛsteenzolder van de watermolenɛ.' [N O, 27a; A 42A, 1; monogr.]
II-3
|
| 32466 |
stek |
fluit:
fluit (L318p Stramproy),
pootwis:
pōtwęs (L318p Stramproy)
|
Afgesneden takje dat men in de grond zet om er een nieuwe wissenstruik uit te laten groeien. [N 40, 5]
II-12
|
| 25966 |
stellingmolen |
stellingmolen:
stellingmolen (L318p Stramproy),
stęleŋ[molen] (L318p Stramproy)
|
Een hoge stenen molen met een zwichtstelling er rond omheen vanwaaraf onder meer de stand van de kap kan worden veranderd en de vang wordt bediend. Zie ook afb. 9. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 32e; A 42A, 53; Sche 6; N O, 32j]
II-3
|
| 19522 |
stenen pot, keulse pot |
aarden pot:
èrde pôt (L318p Stramproy)
|
pot, stenen ~; inventarisatie benamingen voor grote ~~ voor bijv. zuurkool e.d., kleinere ~~ voor boter, eieren e.d. (pijppot, timperpot); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 29257 |
sterkbak |
sterktobje:
stɛrktø̜pkǝ (L318p Stramproy)
|
Pot waarin de sterkpap zit. [N 39, 93b]
II-7
|
| 29258 |
sterkborstel |
sterkborstel:
stɛrkbǫrstǝl (L318p Stramproy)
|
De borstel waarmee men de sterkpap over het kettinggaren strijkt. [N 39, 93d]
II-7
|
| 29254 |
sterken |
sterken:
stɛrkǝ (L318p Stramproy)
|
Met een soort pap aan weerszijden het kettinggaren bestrijken. De bedoeling hiervan is om de kettingdraad beter tegen schuring bestand te maken. [N 39, 91a]
II-7
|
| 29255 |
sterkpap |
aardappelenpap:
ɛrpǝlǝpap (L318p Stramproy),
boekesmeel:
buksmēǝl (L318p Stramproy),
meelpap:
mē̜ǝlpap (L318p Stramproy),
sterk:
stɛrǝk (L318p Stramproy),
sterkpap:
stɛrkpap (L318p Stramproy)
|
Pap gekookt van boekweitmeel, aardappelmeel of tarwebloem en stijfsel, waarmee het kettinggaren wordt bestreken. [N 39, 91b; N 39, 93a]
II-7
|
| 26023 |
steunbalk |
steunbalk:
stø̄nbalǝk (L318p Stramproy)
|
De evenwijdig aan de voeghouten lopende balk die de windpeluw steunt. Zie ook afb. 26. [N O, 28d]
II-3
|