| 17680 |
teen |
teen:
tiean (L318p Stramproy),
tiən (L318p Stramproy)
|
teen (toon) [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 25992 |
teerlingen |
beren:
bērǝ (L318p Stramproy)
|
De vier, vaak gemetselde, blokken waar de uiteinden van de kruisplaten op rusten. Zie ook afb. 12. [N O, 42i; Sche 10; A 42A, add.]
II-3
|
| 32965 |
telen, verbouwen |
trekken:
trękǝ (L318p Stramproy),
zetten:
zętǝ (L318p Stramproy)
|
Het voor gebruik tot ontwikkeling brengen van een gewas. Zie ook de meer specifieke lemma''s ''zaaien'' (2.1) en ''poten, planten'' in aflevering I.5. Voor twachten zie Rutten, Haspengouwsch Idioticon 239: "winnen van zaad". [N Q, 9; L 1 a-m; S 20; Wi 43; monogr.]
I-4
|
| 26248 |
tempel |
tempel:
tęmpǝl (L318p Stramproy),
tɛmpǝl (L318p Stramproy)
|
Breedhouder, spanstok. Tweedelige lat die naar willekeur langer of korter gemaakt kan worden. Aan de uiteinden zitten fijne tandjes die in de zelfkant van het weefsel grijpen (Van de Ven, pag. 43). Het weefsel wordt hiermee op breedte gehouden. [N 39, 117a; monogr.] || Het lange, zware hout om de roeden of de as op te tillen. [N O, 35a]
II-3, II-7
|
| 29276 |
tempelen |
de tempel verzetten:
dǝn tɛmpǝl vǝrzętǝ (L318p Stramproy)
|
De tempel verplaatsen. [N 39, 117c]
II-7
|
| 17632 |
tepel |
demen:
dēmǝ (L318p Stramproy),
mem:
mem (L318p Stramproy),
tepel:
nu vaker gebruikt
tepel (L318p Stramproy)
|
Deem, speen, borst. [A 30, 6e; L 49, 6e; N 8, 39a, 39b en 40] || Welk woord bezigt men voor de tepel van een vrouwenborst? [DC 43 (1968)]
I-9, III-1-1
|
| 34320 |
tepel, tet |
mem:
mɛm (L318p Stramproy)
|
Het afzonderlijk melkgevend orgaan van het varken of de tepel. [N 19, 19a; JG 1a, 1b; L 49, 6d; A 30, 6d; G 1, 6d; monogr.]
I-12
|
| 26266 |
terugdraaibeveiliging, keervang |
het hout:
ǝt hǫwt (L318p Stramproy),
klep:
klɛp (L318p Stramproy)
|
Terugdraaibeveiliging aan het vangwiel die moet verhinderen dat de wieken en de as in de omgekeerde richting draaien. Zie ook afb. 57. In l 265 werd daartoe een ketting aan de roe gelegd. De keervang bestaat uit een scharnierende stut die met twee of drie kammen in de kammen van het vangwiel past en is bevestigd op de daklijst van de steenrechtzijde in de standerdmolen of op het linker voeghout in de Hollandse molen. De kammen van de stut of pal zijn zō afgeschuind dat de pal bij het rechts draaien wordt opgelicht. Bij het terugdraaien van het gevlucht grijpt de pal in de kammen van het kamwiel waardoor dit stopt. [N O, 35c-e]
II-3
|
| 18127 |
tetanus |
kramp:
kramp (L318p Stramproy)
|
Als in een wondje straatvuil komt, kan er een infectieziekte ontstaan. De wetenschappelijke naam van die ziekte is Tetanus. Hoe noemt men die ziekte in uw dialect? [DC 60 (1985)]
III-1-2
|
| 33760 |
tetveulen |
zuigeling:
zø̜i̯gǝleŋ (L318p Stramproy)
|
Veulen dat nog gezoogd wordt. Een tetveulen is ouder dan een zuigeling en kan verkocht worden. [JG 1a, 1b; N 8, 2]
I-9
|