| 19554 |
theelepeltje |
theelepeltje:
tiëelepelke (L318p Stramproy)
|
theelepeltje (suikerlippelke) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19516 |
theepot |
theekan:
theekan (L318p Stramproy)
|
pot waarin thee wordt gezet [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 29154 |
thuisweven |
weven met de hand:
wē̜vǝ męt dǝ hānjtj (L318p Stramproy)
|
Thuis op het handweefgetouw weven en niet in een fabriek. [N 39, 108d]
II-7
|
| 34647 |
tilbury |
tilbury:
telbǝri (L318p Stramproy)
|
Tweewielig rijtuigje, meestal zonder kap, voor twee personen, dat door één paard getrokken wordt. De tilbury is lager dan de sjees. Er is geen aparte bok voor de koetsier. Af en toe is dit ook een meer algemene benaming voor een klein rijtuigje. [N 17, 5, add; N 101, 1 + 6-8; N G, 51, monogr]
I-13
|
| 27253 |
timmerman |
timmerman:
tø ̝mǝrman (L318p Stramproy)
|
Ambachtsman die het timmeren als beroep uitoefent. Tot zijn werkzaamheden behoren het vervaardigen van dakconstructies en balklagen in huizen en het maken van trappen, kozijnen, ramen en deuren. Als aanduiding voor de vakman wordt zowel de benaming timmerman als schrijn(en)werker gebruikt. Schrijnwerker is meer verspreid in Belgisch Limburg, schrijnenwerker in het zuiden van Nederlands Limburg. Wanneer er een onderscheid tussen timmerman en schrijn(en)werker wordt gemaakt, dan duidt de eerste term eerder een vakman aan die timmerwerk in de bouw verricht. Dit is onder meer het geval in Ottersum (L 163), Posterholt (L 387), Geulle (Q 18) en Bilzen (Q 83). De schrijnwerker richt zich dan vooral op het maken van trappen, deuren en ramen. Het woordtype schrijner, dat in het zuidoostelijke deel van het gebied gebruikelijk is, is een algemene benaming voor de timmerman. De vakman die timmerwerk op de bouw verricht, wordt daar ɛbouwschrijnerɛ genoemd.' [N 55, 164a; N 55, 165; RND 6; L 34, 19a; L B1, 115; monogr.]
II-12
|
| 33652 |
toegang tot akker |
vekensgat:
vēkǝs˲gāt (L318p Stramproy)
|
[N 11, 8]
I-8
|
| 19542 |
tondeldoos |
tondelpot:
tondjelpot (L318p Stramproy)
|
tondeldoos, koperen huls gevuld met licht ontvlambaar materiaal (tintelton, tinteldoos) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17620 |
tong |
tong:
tong (L318p Stramproy),
tông (L318p Stramproy)
|
tong [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 25850 |
tonnen |
aftappen:
āftapǝ (L318p Stramproy)
|
Het bier in tonnen of vaten doen. [N 35, 90; monogr.]
II-2
|
| 34588 |
toot |
stoten:
stȳtǝ (L318p Stramproy)
|
Elk van de uitstekende delen van de berries (bij de hoogkar) of de bakbomen (bij de slagkar) achter aan de kar. De opgaven van de woordtypen top, stoot en stots zonder meervoudsuitgang zijn als meervoudig geïnterpreteerd wegens hun velair vocalisme. Door het ontbreken van een mogelijke enkelvoudige tegenopgave, is het echter mogelijk dat het hier om enkelvoudsopgaven gaat. Met het woordtype staart wordt het geheel aangeduid, in tegenstelling tot de andere woordtypen, waarmee elk deel afzonderlijk wordt benoemd. [N 17, 28 + 37a; N G, 59a; monogr]
I-13
|