| 18169 |
trui |
trui:
trui (L318p Stramproy)
|
Zou die trui goed blijven in de was? [DC 40 (1965)]
III-1-3
|
| 34289 |
tuieren |
tuieren:
tyi̯ǝrǝ (L318p Stramproy)
|
Een koe of geit laten grazen aan een touw dat met een paal in de grond bevestigd is. Men doet dit om het af te grazen stuk grasland te beperken. [N 3A, 14h; N 14, 71; L 27, 5; A 17, 20; JG 1c, 2c; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34295 |
tuiertouw, tuierketting |
tuier:
tyi̯ǝr (L318p Stramproy)
|
Het touw of de ketting waarmee men de koe of de geit aan de tuierpaal vastmaakt. [A 17, 20; N 3a, 14h; JG 1c, 2c; monogr.; add. uit N 14, 73b]
I-11
|
| 33615 |
tuinman, boomkweker |
boomkweker:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
boͅu̯mkwekər (L318p Stramproy)
|
[RND 08]
I-7
|
| 19512 |
tuit |
tuitel:
tuitel (L318p Stramproy)
|
tuit van de waterketel van koper of ijzer en met hengsel en tuit [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 33122 |
tweede laag schoven van het dorsbed |
bovenrij:
bovenrij (L318p Stramproy)
|
De specifieke benaming van de tweede laag schoven, bestaande uit twee rijen die met de koppen naar elkaar toe liggen, zoals die op de eerste rij van het vorige lemma wordt gelegd. Zeer vaak is de benaming van deze bovenste laag dezelfde als die van het bed als geheel; dan is die benaming hier niet herhaald; zie het lemma ''dorsbed, de laag schoven op de dorsvloer'' (6.1.16). In L 159a wordt nog aangetekend dat "de aren van de tweede laag veerden op de eerste rij, en door dit veren lieten de korrels beter los". Zie afbeelding 11, b. [N 14, 17c; monogr.]
I-4
|
| 26481 |
tweetakrijn |
rijn:
rīn (L318p Stramproy)
|
Balanceerrijn of vaste rijn met twee rijntakken. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛvast werkɛ en ɛbalanceerrijnɛ.' [N O, 15c; Vds 140; A 42A, 21; N O, 15b]
II-3
|
| 33597 |
ui, ajuin |
unj:
mv -e
eunj (L318p Stramproy),
unje:
eunje (L318p Stramproy)
|
[DC 13 (1945)]
I-7
|
| 33788 |
uier |
uier:
yi̯ǝr (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
[JG, 1b; A 30, 6e; L 49, 6e; N 8, 39a en 39b]De melkklier van de koe zoals zij zich uitwendig vertoont onder aan de buik. Op de kaart is het woordtype uier niet opgenomen. [JG 1a, 1b; Gwn V, 7; L 8, 24a; L 14, 27a; RND 127; S 38; Wi 51; monogr.]
I-11, I-9
|
| 34157 |
uieren |
zucht:
zøxt (L318p Stramproy)
|
Een zwellende uier krijgen in de draagtijd, gezegd van de koe. [N 3A, 35; A 9, 16; monogr.]
I-11
|