| 17768 |
vinger |
vinger:
vinger (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy),
viŋər (L318p Stramproy)
|
vinger [DC 01 (1931)], [RND]
III-1-1
|
| 17769 |
vingerlid |
vingerlid:
vingerlid (L318p Stramproy)
|
(vinger)kootje [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 24265 |
vink |
bokvink:
bòkvink (L318p Stramproy),
vink:
mv.
vinke (L318p Stramproy)
|
Hoe heet de vink? [DC 06 (1938)] || vink
III-4-1
|
| 32565 |
visvangmand |
kandel:
kānjǝl (L318p Stramproy)
|
Gevlochten, fuikvormige mand waarmee vis, en dan met name paling, gevangen wordt. [N 40, 103]
II-12
|
| 29216 |
vitskoord |
touwtje:
tǫwkǝ (L318p Stramproy)
|
Het koord aan weerszijden van de vitsroede om het dradenkruis in de twisten of gangen vast te houden. [N 39, 64b]
II-7
|
| 29215 |
vitsroede |
roede:
(mv)
rōj (L318p Stramproy)
|
De roede plus koord, die bevestigd wordt aan dat uiteinde van de ketting dat het eerst wordt opgeboomd, en die geplaatst wordt aan de boomgleuf van de kettingboom om het dradenkruis in de ketting vast te kunnen houden. [N 39, 64a; monogr.]
II-7
|
| 19602 |
vlaaischotel |
vlaaischotel:
vlaaisjōtel (L318p Stramproy)
|
schaal, plat, om een vlaai op te dienen [flaaischottel] [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 21424 |
vlaams |
vlaams:
vlaoms (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
Vlaams; bijvoeglijk naamwoord - [DC 47 (1972)]
III-3-1
|
| 24266 |
vlaamse gaai |
markolf:
merköf (L318p Stramproy),
mérköf (L318p Stramproy)
|
Hoe heet de Vlaamsche gaai? [DC 06 (1938)] || vlaamse gaai
III-4-1
|
| 21394 |
vlag |
vlag:
vlag (L318p Stramproy)
|
vlag: Loopt Klaas voorop met de -? [DC 39 (1965)]
III-3-1
|