| 24186 |
kneu |
heikneuter:
heikneuter (L318p Stramproy),
heivink:
heivink (L318p Stramproy)
|
Hoe heet de kneu? [DC 06 (1938)] || kneu
III-4-1
|
| 17677 |
knie |
knie:
knee (L318p Stramproy),
kni (L318p Stramproy),
knij (L318p Stramproy)
|
knie [DC 01 (1931)], [RND]
III-1-1
|
| 17678 |
knieholte |
hees:
hiəste (L318p Stramproy),
Uitdr.: he hef de heerse gesjmeerd = vlug gaan.
heerse (L318p Stramproy)
|
knieholte [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 22363 |
knikker |
huif:
Sub knikker. Mv.
huûve (L318p Stramproy),
pottenbal:
Eig. Royers.
pottebâl (L318p Stramproy)
|
Alg. stuiter. || Knikker.
III-3-2
|
| 22364 |
knikkerkuiltje |
kuiltje:
kuulkə (L318p Stramproy)
|
Een holletje in de grond, door de kinderen gebruikt bij het knikkeren? [DC 21 (1952)]
III-3-2
|
| 17664 |
knokkelkuiltjes |
kuiltjes:
kŭŭlkes (L318p Stramproy)
|
De deukjes op de gewrichten tussen hand en vinger, die men ziet op de handjes van dikke babys, maar ook wel bij dikke kinderen en mensen? [DC 21 (1952)]
III-1-1
|
| 33246 |
knollen uittrekken |
plukken:
plø̜kǝ (L318p Stramproy)
|
In oktober worden de bieten geoogst. Vroeger werden ze met een riek uitgestoken, later met een speciaal stuk gereedschap, zie het lemma Bietenrooier. Het bleef zwaar werk. Het object van het werkwoord is steeds "knollen" zoals in het lemma Knolvoer, Rapen (Coll.). Vergelijk ook het lemma Aardappels Rooien. [N Q, 11a; monogr.; add. uit Goossens 1963, kaart 17]
I-5
|
| 33236 |
knolraap, raap |
reuben:
rø̄bǝ (L318p Stramproy)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|
| 33237 |
knolvoer, rapen (coll.) |
groen:
grø̄n (L318p Stramproy)
|
Rapen in het algemeen, als groenvoer of als ingekuild voer voor het vee gebruikt; herfstknollen. [N 12A, 4a; JG 1b, 2c; monogr.; add. uit N 11A, 29f en 29g; N 12, 40, N Q, 11a]
I-5
|
| 24849 |
knotten van wilgen |
slaan:
opgave is het vt dw: gesläönd
slaon (L318p Stramproy),
soetsen:
soetse (L318p Stramproy)
|
gesnoeid || het knotten van wilgen, d.w.z. een wilg zodanig snoeien dat er een knotwilg ontstaat [DC 13 (1945)]
III-4-3
|