| 34017 |
langzamer |
kalm:
kalǝm (L318p Stramproy)
|
Voermansroep om het paard langzamer te doen gaan. [N 8, 95h en 96]
I-10
|
| 19171 |
last |
last:
last (L318p Stramproy)
|
Een vracht van 2100 kilo, ofwel 30 mud van 70 kilo. [N O, 38o]
II-3
|
| 26616 |
laten afkoelen |
laten bekomen:
lǭtǝ bǝkōmǝ (L318p Stramproy)
|
De zakken meel wegzetten om ze te laten afkoelen. [N O, 38f]
II-3
|
| 25735 |
laten trekken |
maischen:
męjšǝ (L318p Stramproy)
|
Het beslag goed laten trekken zodat de versuikering plaatsvindt en de eiwitten omgezet worden. Het werkwoord "laten" werd door de meeste respondenten niet vermeld. [N 35, 38]
II-2
|
| 34106 |
lebmaag |
lebmaag:
lɛb˱māx (L318p Stramproy)
|
De vierde of eigenlijke maag van de koe, de maag met heel grove uitsteeksels aan de binnenkant. Via de lebmaag gaat het voedsel in de darmen over. [N 28, 84; A 9, 11d]
I-11
|
| 20479 |
leeftijd, ouderdom |
leeftijd:
gai lauptj nog flink veur eemes van eure
laiftid (L318p Stramproy)
|
U loopt nog flink voor iemand van uw leeftijd. [DC 39 (1965)]
III-2-2
|
| 24973 |
leeg, niets bevattend |
leeg:
leeg (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
leeg (ijdel, ijl, laas) [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
| 26597 |
leeglopen |
loslopen:
lǫslǫwpǝ (L318p Stramproy)
|
Het over elkaar gaan van de molenstenen zonder graan. De stenen kunnen dan sneller gaan draaien waardoor het gevaar ontstaat dat de molen heet loopt. [N O, 34o; Vds 116; Jan 260; Coe 142; Grof 167; N O, 36e]
II-3
|
| 29192 |
leertje van de jager |
leertje:
lēǝrkǝ (L318p Stramproy)
|
Leren lus aan de jager waarmee de weefspoel wordt opgevangen en ingeschoten. [N 39, 48c]
II-7
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lęi̯wātǝr (L318p Stramproy)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|