| 21315 |
gast |
gast:
gas (L432p Susteren)
|
gast [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18206 |
gat in een kledingstuk |
lok:
laok (L432p Susteren)
|
gat in een kledingstuk, bijv. een kous [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 33472 |
gat in een klein dakschild |
uilegat:
ȳlǝgāt (L432p Susteren)
|
In het kleine dakschild (boven de korte gevel) van een schilddak treffen we vaak een gat (soms een luik) aan om de zolder te beluchten en te belichten. De benamingen zijn vaak, vanwege functionele overeenkomst, dezelfde als voor het venster onder een dakwelving (zie dat lemma, 4.2.13). [N 4A, 45a; N 4, 26c]
I-6
|
| 25001 |
gat, opening |
gat:
gaat (L432p Susteren),
lok:
laok (L432p Susteren),
opening:
opening (L432p Susteren)
|
gat (znw enk) [N 26 (1964)] || opening [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 25002 |
gat, opening (mv) |
gater:
twei gater (L432p Susteren),
loker:
löker (L432p Susteren),
twei laoker (L432p Susteren)
|
gaten (mv) [SGV (1914)] || gaten (znw mv) [N 26 (1964)]
III-4-4
|
| 31149 |
gatels |
riemels:
rę̄mɛls (L432p Susteren)
|
Grote els met een oog in de voorste punt waardoorheen men de naairiemen kan trekken. Zie afb. 68. [N 36, 31; Li 1963, 35]
II-10
|
| 21316 |
gauwdief |
gauwdief:
gauwdeef (L432p Susteren),
gawdeef (L432p Susteren),
gàwdeef (L432p Susteren)
|
een dief die op behendige, listige wijze te werk gaat [gauwdief, schelm] [N 90 (1982)] || gauwdief [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 20742 |
gebakje |
gebakje:
#NAME?
gebekske (L432p Susteren)
|
Gebakje (buntje, taartje, gatoke?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20683 |
gebakken aardappelen |
gebakken aardappelen:
#NAME?
gebakke êrpel (L432p Susteren)
|
In schijfjes gebakken aardappelen (erpel in de pan, kosjes, petatteschijfkes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 30204 |
gebint |
gebont(e):
gǝbontj (L432p Susteren)
|
Het geheel van spantbenen, gordingen, kepers etc. waarop de dakbedekking rust. Zie ook afb. 49 en 71. [S 9; N 54, 149a; N 54, 149b; N 54, 151; monogr.; Vld.]
II-9
|