| 30475 |
pannen voegen |
pannen toestrijken:
panǝ tuštrīkǝ (L432p Susteren)
|
De naden tussen de pannen door middel van de pannenstrijker met mortel aansmeren. Zie ook het lemma 'Pannenstrijker'. [N 32, 48a]
II-9
|
| 20700 |
pannenkoek |
pannenkoek:
#NAME?
pannekook (L432p Susteren)
|
Pannekoek, heel in het algemeen (struif, flenske, koekebak?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20699 |
pannenkoekenbeslag |
beslag:
#NAME?
beschlaag (L432p Susteren)
|
Beslag voor het bakken van pannekoeken (timper?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19443 |
pannenlap |
doek:
dook (L432p Susteren)
|
lap waarmee men hete voorwerpen van het vuur neemt (kwezel) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 30474 |
pannenstrijker |
pannenstrijker:
panǝštrīkǝr (L432p Susteren)
|
Smalle, lange troffel die wordt gebuikt om specie tussen de pannen te strijken. Zie ook afb. 77. [N 30, 8d; monogr.]
II-9
|
| 30473 |
pannentang |
pitstang:
petš`taŋ (L432p Susteren)
|
Lange nijptang waarmee de dakdekker stukken van pannen afknipt wanneer ze aan het ondereinde een schuine richting moeten hebben. Zie ook afb. 76. [N 30, 17; monogr.]
II-9
|
| 20558 |
pap |
pap:
pap (L432p Susteren, ...
L432p Susteren,
L432p Susteren),
#NAME?
pap (L432p Susteren)
|
brij [SGV (1914)] || brij; Hoe noemt U: Half vast, half vloeibaar gekookt gerecht van een heel of half gemalen graansoort (gort of meel) of rijst (brij, kwet, prol, pap) [N 80 (1980)] || Pap, heel in het algemeen [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 21126 |
papier |
papier:
papier (L432p Susteren)
|
papier [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18194 |
paraplu |
paraplu:
perpluu (L432p Susteren)
|
paraplu [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18395 |
parel |
parel:
pèrel (L432p Susteren)
|
parel [SGV (1914)]
III-1-3
|