| 25413 |
poten verwijderen |
afsnijden:
āfšniǝ (L432p Susteren)
|
Als de poten zijn afgehuid, verwijdert men ze in het eerste gewricht (gerekend vanaf de hoef). De poten worden van het lijf gesneden, gekapt of gezaagd. [N 28, 48; monogr.]
II-1
|
| 21521 |
potlood |
potlood:
potlauwt (L432p Susteren),
(a-achtige naslag).
pòtlôet (L432p Susteren)
|
een met hout omgeven staafje grafiet om mee te schrijven of te tekenen [potlood, crayon] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 18833 |
potsachtig |
belachelijk:
beláchelik (L432p Susteren)
|
lachwekkend, met minder fijnzinnige humor [grollig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33350 |
potstal |
koestal:
ku[stal] (L432p Susteren),
meststal:
męs[stal] (L432p Susteren)
|
Een potstal is een ouderwetse stal, met als voornaamste functie het winnen van mest. De bodem is niet geplaveid; de koeien staan direct op de grond en de mest. Omwille van de mest stonden de koeien vroeger het hele jaar op stal, later alleen in de winter. Het vee stond in twee rijen, vastgebonden aan de stalpalen. Over de mest heen werd strooisel gespreid en zo kwamen de koeien steeds hoger te staan, tot de potstal "vol" was. De mest in de potstal werd regelmatig verplaatst, maar de potstal werd slechts één of twee keer per jaar uitgemest. De potstal verdween om hygiënische redenen. In armoedige streken, zoals in de Kempen, waar men grote behoefte aan mest had, is de potstal het langst blijven bestaan, totdat de kunstmest opkwam. Waar de potstal niet bekend is geweest, heeft men er vaak wel een woord voor, dat men van elders kent. Waar de potstal vroeger de gewone stal was, werd hij gewoon "stal" of "koestal" genoemd. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). Zie afbeelding 7. [N 5A, 49a; N 4, 65; JG 1a en 1b; monogr.]
I-6
|
| 21525 |
potten? |
potten:
pòttə (L432p Susteren)
|
op zijn geld zitten; nauwelijks iets uit willen geven [potten, ponken] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 27074 |
praam |
knijper:
knijper (L432p Susteren),
muilijzer:
mulīzǝr (L432p Susteren)
|
Neusknijper om het paard in bedwang te houden. Een praam bestaat uit een houtje met een lus eraan, die rond de bovenlip van het paard wordt gelegd en met het houtje wordt aangedraaid. Er bestaan ook metalen neusknijpers met deze functie (zie o.a. de termen muilijzer, tandijzer en gebitijzer). [JG 1b, 1c, 2c; N 13, 85; N 33, 377 en 380; S 28; monogr.]
I-10
|
| 21834 |
praatje |
praatje:
prèùtjə (L432p Susteren),
smoege:
sjmoege (L432p Susteren)
|
een waarschijnlijk onwaar bericht [praatje, praat, spraak, mare] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 21006 |
prei |
poor:
poar (L432p Susteren)
|
prei [SGV (1914)]
I-7
|
| 20667 |
preisoep |
poorsoep:
#NAME?
paorsop (L432p Susteren)
|
Preisoep (Poorsop?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 22687 |
prent(je) |
beeld(je):
bēlt (L432p Susteren),
biltje (L432p Susteren),
plaat(je):
plaat (L432p Susteren)
|
Een plaatje, prentje, afbeelding [beeldeke]. [N 90 (1982)] || prent [SGV (1914)]
III-3-2
|