| 17569 |
spier |
spier:
schpier (L432p Susteren)
|
pees, spier [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24429 |
spiering |
spiering:
WBD/WLD
spīēring (L432p Susteren)
|
Hoe noemt u de spiering: een kleine beenvis. De schedel is min of meer doorzichtig. Hij komt voor aan de westkust van Europa en trekt in april-mei de rivieren op. Hij is zilverachtig en kan ± 15cm lang worden (spiering, spirk, pin) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 22401 |
spiertje trekken |
spiertje trekken:
sjpīrkətreͅkə (L432p Susteren)
|
Loten met gras of lucifers (bijv. wie de langste trekt) [spiertje trekken, getuigen, tuigen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21373 |
spijbelen |
uit de school versteken:
oet de sjooel verstêke (L432p Susteren)
|
spijbelen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33133 |
spikken |
spikken:
(enkelv)
špek (L432p Susteren)
|
Onder spikken (of het enkelvoud: spik) verstaat men doorgaans een verbijzondering van het begrip "graanafval", namelijk het (onvolgroeide) graan met het kaf er nog omheen, dat dus niet heeft losgelaten bij het dorsen. Deze spikken worden dan als varkensvoer gekookt. Zie ook de toelichting bij het lemma ''graanafval'' (6.1.30). [N 14, 35d; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 29130 |
spil |
as:
as (L432p Susteren)
|
De pin middendoor de u-vormige vleugel. Spil met vleugel en klos worden ieder afzonderlijk gedraaid door middel van de dubbele snaar, de trendel en de snaarschijf aan de klos (Grothe, pag. 284). Volgens de informant van L 291 draaide de spil in twee tongen van hardleer, die in de houten paaltjes waren bevestigd en gesmeerd werden met spekzwoerd. Door zijdelings wegdraaien van de spil kon men de as vrijmaken en de klos eruit nemen en erin zetten. [N 34, B17]
II-7
|
| 26687 |
spil van de handmolen |
spil:
špel (L432p Susteren)
|
De as waar bij eenvoudige handmolens de bovenste steen om draait. De as is met één uiteinde bevestigd in de onderste steen. [N D, 14]
II-3
|
| 24379 |
spin |
kamerspin:
en kamersjpén (L432p Susteren),
spin:
[špɛn (L432p Susteren),
sjpèn (L432p Susteren),
sjpén (L432p Susteren)
|
huisspin, kamerspin, die binnenshuis horizontale webben spant [N 26 (1964)] || spin [RND], [SGV (1914)] || spin [spinnekop, spinnenbijter, vrijer] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 33588 |
spinazie |
spinaai:
-
sjpenaai (L432p Susteren)
|
spinazie
I-7
|
| 20121 |
spinnen |
snorren:
WBD/WLD
sjnórrə (L432p Susteren),
spinnen:
špenǝ (L432p Susteren),
špęnǝ (L432p Susteren),
ideosyncr.
sjpéne (L432p Susteren)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.] || Hoe noemt u een snorrend, brommend geluid maken, van katten, meestal ten teken van welbehagen (korzen, spinnen, ronken, snurken, snorren, minzen) [N 83 (1981)]
II-7, III-2-1
|