| 22872 |
doelpunt |
goal (eng.):
n - make.
gool (L331p Swalmen)
|
Goal, doelpunt.
III-3-2
|
| 25020 |
dof, gedempt van geluid |
dof:
doef (L331p Swalmen),
hol:
haol (L331p Swalmen)
|
niet helder, gedempt, gezegd van een geluid [grof, dof, hol, schor] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24137 |
doffer, mannelijke duif |
duif:
doef (L331p Swalmen),
dŏef (L331p Swalmen),
hoorn:
häöre (L331p Swalmen)
|
een mannelijke duif (doffer, kebber, kipper, horen, duivcer) [N 83 (1981)] || mannetjesduif [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 18153 |
dokteren |
dokteren:
doktere (L331p Swalmen)
|
dokteren: De geneeskunde beoefenen (meesteren, dokteren). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24862 |
dolle kervel |
kervel:
kervǝl (L331p Swalmen),
wilde peterselie:
WLD
wiLLe-peeter-sillie (L331p Swalmen)
|
Chaerophyllum temulum L. Een vrij algemeen voorkomend -naar men aanneemt: giftig- onkruid aan bosranden, akkerkanten en beschaduwde wegbermen met een behaarde, roodgevlekte stengel, witte bloempjes in schermen en veervormig, ingesneden donkergroen blad. Het bloeit van mei tot juli en de lente varieert van 60 tot 120 cm. [A 60A, 16; L 1, a-m; L 6, 35; L 15, 8; S 7; monogr.] || Scheerling, dolle kervel (chaerophyllum temulum 30 tot 120 cm groot. De stengels zijn aan de knopen verdikt en meestal rood gevlekt; de bladeren zijn dubbel geveerd, behaard, en de omwindseltjes hebben gewimperde blaadjes; de bloemen zijn wit; de vrucht [N 92 (1982)]
I-5, III-4-3
|
| 18983 |
dom |
lomp:
lómp (L331p Swalmen),
stom:
sjtôom (L331p Swalmen)
|
niet gemakkelijk denkend, beperkt van verstand, dom [dom, stom, lomp] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22409 |
domino |
domino:
domino (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Het spel met 28 stenen die op één zijde met ogen of een punt gemerkt zijn (van dubbel blank tot dubbel zes) die tegen elkaar gelegd m oeten worden zó dat telkens gelijke ogen aan elkaar sluiten en waarbij iedere speler probeert domino te worden, d.w.z. zi [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 18799 |
domme man |
duppen:
döppe (L331p Swalmen),
stommerik:
sjtôomerik (L331p Swalmen)
|
een dom persoon [domoor, dommerik, dotskop] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18800 |
domme vrouw |
dutsel:
dötsel (L331p Swalmen),
trut:
trut (L331p Swalmen)
|
een dommme vrouw [lut, kul, dulleke] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 31202 |
dommekracht |
winde:
wenj (L331p Swalmen)
|
Werktuig om zware voorwerpen op te tillen. Het bestaat uit een zware kast, waarin een getande stang met haak door middel van een zwengel omhoog en omlaag kan worden bewogen. De dommekracht wordt onder het op te heffen voorwerp geplaatst. Zie ook afb. 3. [N 33, 219]
II-11
|