| 17908 |
dompelen |
dompelen:
dômpele (L331p Swalmen),
dopen:
duipe (L331p Swalmen),
duwen:
duujə (L331p Swalmen),
onderduwen:
ôonger-dūūje (L331p Swalmen),
soppen:
soppe (L331p Swalmen)
|
dompelen [SGV (1914)] || Dompelen: geheel doen onder gaan in een vloeistof (dompelen, duwen, soppen, onderduwen). [N 84 (1981)] || in een vloeistof dompelen [dopen, doppen, dompelen] [N 91 (1982)]
III-1-2, III-4-4
|
| 31499 |
domper |
domper:
do.mpǝr (L331p Swalmen)
|
Zware stang om klinknagels tegen te houden bij het maken van de sluitkop. De voorzijde van de domper kan vlak zijn of er kan een uitholling in zijn aangebracht. Soms wordt voor dit werk ook een zware hamer gebruikt. Zie ook afb. 179. [N 33, 299]
II-11
|
| 24310 |
donderbeestje |
hommelbeestje:
hômmelbeesje (L331p Swalmen)
|
donderbeestje: Kent u in uw dialect een woord om de zeer kleine zwarte beestjes aan te duiden die mij naderend onweer ploseling op de mens komen zitten? [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 25120 |
donderen |
hommelen:
hommələ (L331p Swalmen),
hōmmele (L331p Swalmen),
hómmelen (L331p Swalmen)
|
donderen [SGV (1914)] || donderen [hommelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25122 |
donderslag |
knetter:
knetter (L331p Swalmen),
knettər (L331p Swalmen)
|
hevige donderslag [ketterslag, kletteraar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25121 |
donderwolk |
dikke lucht met hommelkoppen:
’n dieke lóch mit hómmelköp (L331p Swalmen),
hommelkoppen:
hòmmelköp (L331p Swalmen)
|
zware wolken die onweer brengen [donderkoppen, -bloesem] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25118 |
donderx |
donder:
donder (L331p Swalmen),
hommel:
de hòmmel (L331p Swalmen),
hōmmel (L331p Swalmen),
hómmel (L331p Swalmen)
|
donder [N 22 (1963)], [SGV (1914)] || onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25022 |
donker worden, duisteren |
duisteren:
duustere (L331p Swalmen),
grauw worden:
’t begint grauw te wèère (L331p Swalmen)
|
donker worden [duisteren] [N 91 (1982)] || schemering, de overgang van licht naar donker [grouwe, griebelegrouwe] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25021 |
donker, duisterx |
duister:
duuster (L331p Swalmen),
dūūster (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
dûuster (L331p Swalmen)
|
donker [donkel, duuster, domp] [N 06 (1960)] || niet of weinig verlicht [donker, duister, deemster] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24138 |
dons, nestveren |
vlughaar:
vlūūg-haor (L331p Swalmen),
vlûûg-haor (L331p Swalmen)
|
het haar van jonge vogels die nog geen veren hebben (stapveren, duivelshaar, paddehaar) [N 83 (1981)]
III-4-1
|