| 32754 |
een voor afhakken, afscheppen |
afhakken:
āfhakǝ (L331p Swalmen)
|
Voordat men een voor met de spade omwerkt, hakt of schept men, na eerst de mest met een riek in de voor geduwd te hebben, de bovenlaag van de harde voor af om deze aarde op de mest in de open voor te deponeren. De termen veronderstellen doorgaans de voor als object, ook als dat niet werd opgegeven. Toch kunnen ze soms - absoluut gebruikt - op de handeling zonder meer slaan (b.v. "ze zouden om de beurt spitten en (af)hakken c.q. afscheppen"). [N 11A, 149; N Q, 2b; div.; monogr.]
I-1
|
| 33183 |
een voor overslaan |
riolen:
triōlǝ (L331p Swalmen)
|
Bij het poten van aardappelen achter de ploeg een voor overslaan. Bij bijwoordelijke uitdrukkingen moet steeds het werkwoord voor "poten": ɛpoten, plantenɛ of ɛzettenɛ, worden toegevoegd; zie daartoe het lemma Poten. ɛTeugɛ in ɛteugvoorɛ is een afleiding van ɛtieënɛ "trekken". [N M, 19; monogr.]
I-5
|
| 32707 |
een weide scheuren |
schellen:
[schellen] (L331p Swalmen),
scheuren:
šø̄.rǝ (L331p Swalmen),
ter zaai varen:
[ter zaai varen] (L331p Swalmen)
|
Een weide scheuren is het omploegen van weiland, vooral om het daarna als akkerland te gebruiken. Voor (delen van) varianten die hieronder in de [... [JG 1a + 1b + 1c + 1d; N 11, 42a + b + c; N 11A, 114 + 115a + b; monogr.]
I-1
|
| 17709 |
een wind laten |
een wind laten:
eine windj laote (L331p Swalmen),
ene afrijten:
Minder net.
dr eine aafriete (L331p Swalmen),
ene laten vliegen:
eine laote vlege (L331p Swalmen)
|
wind laten [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34495 |
een zandbad nemen |
(zich) ploeieren:
plui̯ǝrǝ (L331p Swalmen),
pluǝrǝ (L331p Swalmen)
|
Met de vleugels een zandbad nemen in de zonneschijn, gezegd van kippen. [N 19, 61b; A 28, 13a; A 28, 13b; Lu 6, 13a; Lu 6, 13b; monogr.]
I-12
|
| 17981 |
een ziekte onder de leden hebben |
get onder zich hebben:
dè hit get onger zich (L331p Swalmen)
|
ziekte onder de leden hebben [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34542 |
eend |
eend:
ē̜ntj (L331p Swalmen),
ē̜ǝntj (L331p Swalmen)
|
[JG 1a, 1b, 1c, 2c; S 18; S 49; L 1a-m; NE II, 55; Vld.; L A1, 48; monogr.]
I-12
|
| 22475 |
eenentwintigen (kaartspel) |
eenentwintigen:
eenentwintige (L331p Swalmen)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34400 |
eenmaal geschoren schaap |
eenjarig (bijvgl. nmw.):
ęi̯njǭrex (L331p Swalmen)
|
Bedoeld wordt een schaap dat eenmaal is geschoren en één paar vaste tanden heeft. Het schaap wordt voor de eerste keer geschoren als het ongeveer 15 maanden oud is. Het heeft twee tanden als het ongeveer een-en-driekwart jaar oud is. Men kan zeggen dat het in dit lemma gaat om een schaap van ongeveer 15 maanden tot ongeveer 2 jaar. [N 77, 12; N 77, 13; N 70, 6a; JG 1d; AGV, m 3; monogr.]
I-12
|
| 32631 |
eenscharige ploeg, rondgaande ploeg, voetploeg, radploeg, karploeg |
brabantse ploeg:
brǭban(tj)sǝ [ploeg] (L331p Swalmen),
engelse ploeg:
eŋǝlsǝ [ploeg] (L331p Swalmen),
hondsploeg:
honš[ploeg] (L331p Swalmen),
radploeg:
ra.t[ploeg] (L331p Swalmen)
|
In dit lemma zijn de benamingen bijeengebracht voor a) de oude, houten, later ook ijzeren voetploeg, die in plaats van een schaats soms een wieltje had; b) de oude houten, later ook wel ijzeren karploeg waarmee men ofwel naar één kant, dus "rond" moest ploegen ofwel heen en weer kon ploegen, omdat kouter en riester op een naar rechts resp. naar links om te ploegen voor konden worden ingesteld. De oude ploeg kon, zoals de voetploeg in K 315, 353, 359 en Q 27 en de houten karploeg in L 115, ook gewoon "de ploeg" genoemd worden, omdat hij ter plaatse destijds het enige of meest gebruikte type was. Voor zijn opvolger, en met name de wentelploeg, kwam dan meestal een bijzondere term in gebruik. [N 11, 30 + 32c + 32e; N 11A, 67 + 68 + 69 + 75e + 78 + 97 + 114; N J, 10 add.; JG 1a + 1b; N 12, 25 add.; N 27, 14 + 15 add.; A 27, 24 add.; A 33 add.; div.; monogr.]
I-1
|