| 24149 |
fuut |
duiker:
duuker (L331p Swalmen),
dūūker (L331p Swalmen),
fuut:
fuut (L331p Swalmen),
fūū.t (L331p Swalmen)
|
fuut || fuut (48 bruine kuif en kraag; alleen op grote vennen en plassen; zomervogel [N 09 (1961)] || fuut (vogel) [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 17807 |
gaan |
gaan:
goaən (L331p Swalmen)
|
gaan [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 25233 |
gaan liggen (van de wind) |
gaan liggen:
gaon ligke (L331p Swalmen),
liggen:
liggə (L331p Swalmen)
|
gaan liggen, gezegd van de wind [stillen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20530 |
gaar |
gaar:
gààr (L331p Swalmen),
matsgaar:
matjsgaar (L331p Swalmen)
|
gaar; Hoe noemt U: Goed gekookt (gaar, murw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29888 |
gaar stoken |
gaar stoken:
gār štǭkǝ (L331p Swalmen)
|
Pannen bakken door de oven op de hoogst vereiste hittegraad te brengen. Volgens een invuller uit L 290 verkreeg men door met dennen (dɛn\) te stoken rode pannen (ru\ pan\). Wanneer men met elzeschansen (ęlz\ēans\) werkte, ontstonden blauwe pannen (blaw pan\). Zie ook het lemma ɛblauwstokenɛ. Daar wordt door de invullers ook dennehout genoemd voor het ɛblauwstokenɛ. Zie voor de verdere terminologie bij het bakken van dakpannen de paragraaf over de veldoven.' [monogr.; N 27 add.]
II-8
|
| 18345 |
gaatje voor de schoenveter |
oogje:
uigskes (L331p Swalmen)
|
gaatjes in de schoen waardoor de veter wordt geregen [riegaater] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 25690 |
gaffelen |
gaffelen:
gafǝlǝ (L331p Swalmen)
|
Wanneer twee wortels verschijnen, zegt men dat de korrel gaat gaffelen. [monogr.]
II-2
|
| 24547 |
gagel |
gruit:
(g?)rōēte (L331p Swalmen)
|
Gagel (myrica gale). Tot 1,5 m hoge struik met sterk aromatische geur; de bladeren zijn langwerpig-spatelvormig en aan de top getand, de onderkant heeft harskliertjes; de bloemen zijn eenslachtig, de mannelijke in rechtopstaande, bruine katjes, de vrouwel [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 33905 |
gal |
gal:
gal (L331p Swalmen)
|
Gallen zijn veerkrachtige zwellingen met vochthoping in de gewrichtszakken, peesscheden of slijmbeurzen. Gallen komen voor langs de pijp, achter de knie, de koot en de kogel. Door allerlei oorzaken kunnen gallen ontstaan aan voor- en achterknieën, bij het jonge dier door verkeerde voeding, een tekort aan vitamine, een wormbesmetting, verkeerde standen, voetverwaarlozing en het te vroeg inspannen; bij oudere paarden zijn gallen vaak een teken van slijtage. Zie afbeelding 17 en 20. [A 48A, 54h; N 8, 90d, 90f en 90h; monogr.]
I-9
|
| 21314 |
galgenaas |
stroper:
sjtruiper (L331p Swalmen)
|
de algemene naam voor iemand die zich schuldig maakt aan een of ander misdrijf [strop, beest, priek, galgenaas] [N 90 (1982)]
III-3-1
|