| 17814 |
laten |
laten:
loatə (L331p Swalmen)
|
laten [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 25693 |
laten grijpen |
laten grijpen:
lǭtǝ grīpǝ (L331p Swalmen)
|
Gezegd van kiemende gerst. De hoop gerst langer laten ontkiemen zonder om te zetten, zodat de worteltjes in elkaar grijpen en in elkaar verstrikt raken. [monogr.]
II-2
|
| 22076 |
laten uitvliegen |
loslaten:
los laote (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: de duiven eens laten uitvliegen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 23752 |
laten wijden |
inzengelen:
inzaengele (L331p Swalmen),
land inzengelen:
landj inzaengele (L331p Swalmen),
zengelen:
zaengele (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Een akker laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een huis of gebouw laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een kruisbeeld, een heiligenbeeld(je), een kaars laten wijden/zegenen. [N 96B (1989)] || Een rozenkrans, een scapulier, een medaille, een kruisje laten wijden/zegenen door een priester. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33384 |
latierboom |
box (e.):
boks (L331p Swalmen)
|
Een horizontale balk die twee paarden van elkaar scheidt, meestal hangend aan kettingen, ook wel vast verbonden. In plaats van een hangende balk kan er ook een eenvoudige en niet al te hoge tussenwand zijn. Met een box is een afgeschutte ruimte voor één paard bedoeld; de tussenwand maakt dan deel uit van de box. [N 5A, 59d; monogr.]
I-6
|
| 34642 |
latwerk |
hort:
(mv)
hōrtǝ (L331p Swalmen),
raam:
raam (L331p Swalmen)
|
Latwerk dat op de berries van de kruiwagen gelegd werd, ten einde het laadvlak te vergroten. [N 18, 101; JG 1d]
I-13
|
| 25226 |
lauw weer |
lauw (weer):
lauw (L331p Swalmen),
louw (L331p Swalmen),
lui (weer):
lui (L331p Swalmen),
moe (weer):
meug (L331p Swalmen)
|
loommakend, gezegd van het weer [lui] [N 81 (1980)] || warm noch koud, gezegd van het weer [lauw, voos] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25036 |
lawaai maken |
lawaai maken:
ləwei makə (L331p Swalmen),
lawaaien:
ləweiə (L331p Swalmen),
spektakelen:
spiktakele (L331p Swalmen)
|
lawaai [SGV (1914)] || lawaai maken [SGV (1914)] || lawaai, herrie maken [laweiten, laweit maken, gellen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25035 |
lawaai, herrie |
herrie:
herrie (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
lawaai:
lewei (L331p Swalmen),
laweit:
leweit (L331p Swalmen),
spektakel:
spiktakel (L331p Swalmen)
|
een dooreenmengeling van sterke geluiden [leven, herrie, geweld, lawaai, spektakel, rumoer] [N 91 (1982)] || lawaai, herrie maken [laweiten, laweit maken, gellen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18356 |
lederen pantoffel |
pantoffel:
pantoefels (L331p Swalmen)
|
pantoffels, lederen ~, gemakkelijke huisschoenen zonder veters [petoffels, pantoefels, trumpe, sjlutsje, sloffe, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|