| 32759 |
meer dan een spade diep spitten |
omzetten:
omzetǝ (L331p Swalmen),
riolen:
riōlǝ (L331p Swalmen),
twee steek diep (omdoen):
twē stē.k˱ dēp (L331p Swalmen)
|
Om de ondergrond los te maken of naar boven te halen, moet men dieper spitten dan normaal. Men kan dan bij het graven van een voor op elke "bovenste" steek een diepere steek laten volgen, ofwel een gewone voor spitten om deze vervolgens dieper uit te steken. [N 11, 66; N 11A, 148c + d; N 27, 10a add.]
I-1
|
| 34229 |
meer melk gaan geven |
bijkomen:
bikǫmǝ (L331p Swalmen),
vonken:
(de koe) veŋk (L331p Swalmen)
|
[N 3A, 68]
I-11
|
| 32781 |
meerdelige eg |
koppel[eg]:
kǫpǝl[eg] (L331p Swalmen)
|
Bedoeld wordt een combinatie van twee of meer eggen van dezelfde soort en grootte, die - naast elkaar liggend en meestal onderling verbonden, met haken of korte kettingen aan een gemeenschappelijke trekbalk bevestigd zijn; zie afb. 62. Zulk een combinatie werd gewoonlijk door twee paarden getrokken. In de betrokken termen hieronder vertegenwoordigt het lid drie ook varianten van het type ''drij''. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men het lemma ''eg''. [N 11, 67 + 76; N 11A, 162a + b; N J, 10 add.; div.; monogr.]
I-2
|
| 20407 |
meerderjarig |
mondig:
munjig (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
meerderjarig; de leeftijd bereikt hebbend dat men in rechten zelfstandig kan optreden [meerderjarig, mondig] [N 86 (1981)] || mondig [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 24209 |
meerkoet |
koet:
kōē.t (L331p Swalmen),
waterhoentje:
waterheunke (L331p Swalmen)
|
meerkoet (38 witte bles en bek; niet zo algemeen; niet op kleine watertjes; meestal met velen bijeen; roep keffend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 23583 |
meerstemmige mis |
mis met muziek:
mès mit meziek (L331p Swalmen)
|
Een meerstemmige mis, muziekmis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21273 |
meester |
meester:
mee[i̯}stər (L331p Swalmen),
meister (L331p Swalmen),
mɛ.istər (L331p Swalmen)
|
(school)meester [RND] || meester [SGV (1914)] || onderwijzer; Hoe werd voor de 2e Wereldoorlog een onderwijzer van de lagere school genoemd? [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 22496 |
meetje steken |
cent steken:
sentsjteeke (L331p Swalmen),
Vgl. pag. 426 sub sjtaeke: sente sjtaeke (zie sent [*]).
sentsjtaeke (L331p Swalmen),
stuiken:
sjtoeke (L331p Swalmen)
|
Centen gooien: een spel waarbij met centen op een in het zand getrokken lijn werd gegooid. || Het spel waarbij men centen werpt in een bepaald vak [meetje steken, mitjezzen, flikken]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21882 |
meevaller |
mazzel:
mazzel (L331p Swalmen),
roefel:
roefel (L331p Swalmen)
|
een voordeel dat bij toeval verkregen wordt [trek, roef, roefel, brentje, hasard, bijval] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22458 |
mei |
mei:
de mei (L331p Swalmen),
meij (L331p Swalmen),
mēͅj (L331p Swalmen)
|
2. Mei: lovertak of den, tegenwoordig ook vlag, die op het dak gezet wordt van een huis dat bij het bouwen zijn hoogste punt heeft bereikt. || De tak, struik of vlag die geplaatst wordt op huizen in aanbouw. [N 88 (1982)]
III-3-2
|