| 18125 |
melaatsheid |
melaats:
melâats (L331p Swalmen)
|
Melaatsheid: lepra, in de huid ontstaan knobbels; de ziekte kan tot afschuwelijke verminkingen leiden (leproosheid, lazerij). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22800 |
melden (kaartterm) |
melden:
Ich melj drie troef.
melje (L331p Swalmen)
|
Melden.
III-3-2
|
| 22802 |
melden: roem (kaartspel) |
meld:
melj (L331p Swalmen)
|
Roem (bij het kaarten).
III-3-2
|
| 33294 |
melganzevoet |
schietmel:
šitmel (L331p Swalmen)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|
| 20970 |
melig |
melig:
maelig (L331p Swalmen),
WLD
méélich (L331p Swalmen),
murg:
WLD
murch (L331p Swalmen)
|
Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 34237 |
melk |
melk:
melk (L331p Swalmen),
męlk (L331p Swalmen),
męlǝk (L331p Swalmen)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 33882 |
melk van het paard |
biestmelk:
bēsmęlǝk (L331p Swalmen),
paardsmelk:
pē̜rtsmęlǝk (L331p Swalmen)
|
De biest- of paardsmelk bevat ingrediënten die het veulen tegen verscheidene ziekten weerstand geven en die er bovendien voor zorgen dat het darmpek, de taaie, donkere substantie die zich in de darmen van het pasgeboren veulen bevindt (zie het lemma ''de eerste uitwerpselen van het veulen'' (5.7)), verwijderd wordt.' [N 8, 32.6 en 57]
I-9
|
| 34241 |
melk zeven |
zijen:
zii̯ǝ (L331p Swalmen)
|
De melk door een doek, zeef of filter laten vloeien om de melk te zuiveren van onbruikbare of verontreinigende stoffen of bestanddelen. [S 46; Wi 30; monogr.; add. uit N 12, L 324]
I-11
|
| 34095 |
melkaders |
melkaderen:
mɛlkǭrǝ (L331p Swalmen)
|
De aders langs de buik naar de uier. [N 3A, 118a]
I-11
|
| 34246 |
melkafromer |
centrifuge:
sɛntǝrfy (L331p Swalmen),
schuimlepel:
šȳmlē̜pǝl (L331p Swalmen)
|
De afromer scheidt de roomlaag van de melk. Dit scheiden kan gebeuren door een grote schuimspaan of een houten lepel te gebruiken. Met een houten latje kan men room tegenhouden, terwijl de ontroomde melk door de tuit van de in schuine stand gehouden plateel of teil vloeit. Men kan de room eenvoudig met een vinger wegdoen of men kan die wegblazen. Moderner is de scheiding van room en melk met een melkmachine of centrifuge. [N 12, 57 en 58; JG 1a, 1b; A 23, 3; monogr.]
I-11
|