| 19327 |
stijfkop |
stijfkop:
sjtiefkòp (L331p Swalmen),
wars-nak:
waersnak (L331p Swalmen)
|
iemand die zeer koppig is, die niet graag ongelijk toegeeft [stijfkop, werskop, stijloor, strekel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19328 |
stijfkoppig |
wars:
waers (L331p Swalmen),
wéérs (L331p Swalmen)
|
niet gemakkelijk te bewegen een houding of opvatting te laten varen of ongelijk te bekennen, zeer koppig [stug, wers] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18014 |
stikken |
stikken:
sjtikke (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Stikken, sterven door ademgebrek (stikken). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25212 |
stille regen |
miezel:
miezəl (L331p Swalmen)
|
stille regen (vooral met sneeuw) [slek] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 34018 |
stilstaan |
ju(j):
jȳi̯ (L331p Swalmen)
|
Voermansroep om het paard te doen stilstaan. [JG 1b; N 8, 95e en 96; L B 2, 257; L 36, 81e; monogr.]
I-10
|
| 17738 |
stinken |
stinken:
sjinke (L331p Swalmen),
sjtinke (L331p Swalmen)
|
Stinken: een vieze reuk van zich geven (stinken, rieken, ruiken, muffen, dassen). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 24565 |
stinkende gouwe |
schildkruid:
WLD
siljtkroet (L331p Swalmen)
|
Stinkende gouwe (chelidonium majus 30 tot 90 cm grote, behaarde plant. De bladeren zijn diep ingesneden, soms bijna samengesteld, met grof gekartelde blaadjes, de onderkant is blauwgroen; de bloemen groeien in schermen, met 4 gele kroonbladeren en 2 spo [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 31693 |
stobbe |
boks:
boks (L331p Swalmen),
stok:
štǫk (L331p Swalmen)
|
Stronk van een gekapte boom die met het wortelstelsel nog in de grond zit. [N 50, 7e; N 75, 87c; A 45, 35; N 16, add.; monogr.]
II-12
|
| 19708 |
stoel |
stoel:
štōl (L331p Swalmen)
|
stoel [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21226 |
stoep |
stoep:
schtoep (L331p Swalmen),
sjtoep (L331p Swalmen)
|
stoep [SGV (1914)] || stoep, trottoir; hoe noemt men in uw woonplaats de stoep of het trottoir langs een straat? [DC 47 (1972)]
III-3-1
|