| 29866 |
strijktafel, strijkbank |
strijkbank:
štrī̄k˱baŋk (L331p Swalmen)
|
Bank of tafel waarop met behulp van een strijkhout de kleikoek in een vorm werd platgestreken. [monogr.]
II-8
|
| 22085 |
stro |
stro:
sjtrui (L331p Swalmen),
struu:
štrø̄ (L331p Swalmen),
štrø̄ǝ (L331p Swalmen)
|
Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83] || stro? [N 93 (1983)]
I-4, III-3-2
|
| 33126 |
stro binden |
binden:
benjǝ (L331p Swalmen)
|
Het uitgedorste stro wordt tot bussels samengebonden.Vergelijk ook het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). Opgaven van het type "bussels maken" zijn hier niet opgenomen; het zelfstandig naamwoord is in het lemma ''bussel uitgedorst stro'' (6.1.27) opgenomen. [N 14, 25 en 28; monogr.]
I-4
|
| 21093 |
stroef |
sleeuw:
schleeə tenj (L331p Swalmen),
stroef:
sjtroef (L331p Swalmen)
|
niet gemakkelijk in de omgang, stroef [stoer, stuurs, zuur, strak, straf] [N 87 (1981)] || sleeuwe tanden [SGV (1914)]
III-2-3, III-3-1
|
| 33856 |
strompelend lopen bij het aantrekken |
strompelen:
štrompǝlǝ (L331p Swalmen)
|
[N 8, 62k, 73, 79 en 80]
I-9
|
| 24636 |
stronk van de knotwilg |
knoest:
knoes (L331p Swalmen),
stronk:
WLD
sjtrōōnk (L331p Swalmen)
|
Het korte onderstuk van een wilg wanneer de takken vlak boven de grond worden afgekapt. [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24852 |
stronk van een struik |
stroebel:
sjtroebel (L331p Swalmen),
stronk:
sjtrónk (L331p Swalmen)
|
wortelklomp van een struik [N 27 (1965)]
III-4-3
|
| 33715 |
stronk, boomstronk |
knor:
knōr (L331p Swalmen),
stronk:
stroŋk (L331p Swalmen)
|
Wat blijft staan, de stomp met wortels, als een boom omgehakt is. [N 27, 8a; R 3, 2; Wi 11; L 7, 59; L B2, 343; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33591 |
stronk, stengel van koolplanten |
stronk:
sjtrunke (L331p Swalmen),
sjtrônk (L331p Swalmen),
WLD
sjtrôonk (L331p Swalmen)
|
Het onderste en binnenste harde gedeelte van een koolplant waaruit de bladeren spruiten (stronk, stam). [N 82 (1981)] || koolstengels die op het veld blijven staan [N Q (1966)]
I-7
|
| 18106 |
strontje |
wegeschijter:
waegesjēētere (L331p Swalmen),
wéégesjieter (L331p Swalmen)
|
Zweertje op het ooglid (paddescheet, paddeschijter, kween, griet, wegescheet, padoog, schietvlek). [N 84 (1981)]
III-1-2
|