| 24481 |
struik (alg.) |
struik:
sjtrōēk (L331p Swalmen),
WLD
sjtrōēk (L331p Swalmen)
|
De plant met een stengel die zich reeds vanaf de grond in min of meer stevige, veelal houtige takkn verdeelt (struik, buis, hucht, bos, horst, pol). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17851 |
struikelen |
struikelen:
schtruukələ (L331p Swalmen),
sjtruukele (L331p Swalmen),
sjtrūūkele (L331p Swalmen)
|
struikelen [SGV (1914)] || Struikelen: vallen of bijna vallen door met de voet tegen iets aan te stoten of door een misstap (struikelen, strommelen, stronkelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24764 |
struikhei |
hei:
hei (L331p Swalmen),
WLD
hei (L331p Swalmen)
|
Struikhei (calluna vulgaris). Een 20 tot 100 cm laag heestertje; de bladeren zijn smal en ongesteeld, ze bevinden zich in 4 rijen en zijn niet afvallend; de bloemen bevinden zich in rijke trossen en zijn naar één kant gericht, meestal rozerood of paars va [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 21729 |
struikrover |
struikrover:
sjtroekruiver (L331p Swalmen)
|
een rover die zich in en achter struiken verbergt om vandaaruit de voorbijgangers te overvallen [binder, baanstroper, struikrover] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24745 |
struisgras |
bezemgras:
WLD
béssem-graas (L331p Swalmen)
|
Struisgras (agrostis nebulosa). Een 10 tot 80 cm grote plant. De plant is zodevormig; de bladeren zijn smal en vlak en hebben een kort tongetje; de aartjes bevinden zich in eivormige, na de bloei uitgespreide pluimen, 1-bloemig, meestal violetbruin van kl [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 18072 |
struma |
krop:
krop (L331p Swalmen),
struma:
sjtruuma (L331p Swalmen)
|
Struma: gezwel aan de hals, als gevolg van vergroting van de schildklier (krop, struma, kropziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25138 |
stuifsneeuw |
motsneeuw:
môtsjnee (L331p Swalmen),
stuifsneeuw:
sjtuufsjnee (L331p Swalmen),
stuiverd:
sjtuuverd (L331p Swalmen)
|
fijne stuifsneeuw, poolsneeuw [snipper- snipsneeuw] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 24932 |
stuifzand |
stuif:
sjtaof (L331p Swalmen),
stuifzand:
sjtuufzandj (L331p Swalmen)
|
stuifzand, zeer fijn zand dat gemakkelijk stuift [vliegzand, stobber] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24598 |
stuifzwam |
stuifzwam:
WLD
sjtuufzwam (L331p Swalmen)
|
Stuifzwam: het vruchtlichaam is ei- tot peervormig en scheurt bij rijpheid van de sporen aan de top open; de jonge exemplaren zijn eetbaar (stuifbal, aardbuil, wolfsvrees, domper, foens, poefer, bovist). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 22362 |
stuiken |
moeten:
Vgl. WNT sub moeten (III)?, Een thans verouderde scheepsterm: zachtjes voortduwen ... of zachtjes naar de eene of de andere zijde leggen.
mūtə (L331p Swalmen),
moetsen:
moetsje (L331p Swalmen),
totsen:
toetšə (L331p Swalmen),
[sic]
toetschə (L331p Swalmen)
|
benamingen in het knikkerspel [SGV (1914)] || Knikkers in een kuiltje gooien [stoeken, stuiten]. [N 88 (1982)] || stuiken [knikkers ~ in een kuiltje] [SGV (1914)]
III-3-2
|