| 19667 |
tafel |
tafel:
tōͅfəl (L331p Swalmen)
|
tafel [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 23711 |
tafelgebed |
beden voor en na het eten:
baeje veur en nao et aete (L331p Swalmen)
|
Het tafelgebed vóór en na het eten. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 19530 |
tafelmes |
tafelmets:
taofemets (L331p Swalmen)
|
mes dat men aan tafel gebruikt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 24494 |
tak (alg.) |
tak:
tak (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
tek (L331p Swalmen),
WLD
tàk (L331p Swalmen)
|
(jonge) takken mv. [DC 41 (1966)] || Een twee- of meerjarige twijg (tak, spil, tekker). [N 82 (1981)] || tak [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33018 |
tak op ingezaaid land |
wis:
wɛs (L331p Swalmen)
|
De tak, stok of bundel stro die men op de pas ingezaaide akkers plaatste om aan te geven dat deze niet betreden mochten worden door jagers en anderen. Voor streep, zie WNT s.v. in de betekenis "grensteken". [N M, 26; monogr.]
I-4
|
| 24727 |
takken (coll.) |
kruin:
krūūn (L331p Swalmen),
struik:
WLD
sjtrûûk (L331p Swalmen),
tak (mv.):
tek (L331p Swalmen)
|
Alle takken samen (griend, kroon, gezwaai). [N 82 (1981)] || takken (mv.) [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24707 |
takken krijgen |
uitspringen:
WLD
ôêt-sjpringe (L331p Swalmen)
|
Takken krijgen, gezegd van een boom (takken). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33632 |
takkenbos, bussel hout |
fascine (fr.):
feziene (L331p Swalmen),
schans:
sjans (L331p Swalmen),
sjâm (L331p Swalmen),
⁄n sja.ns (L331p Swalmen)
|
inventarisatie benamingen takkenbos, bussel takken en twijgen alnaargelang houtsoort of boslengte [N 27 (1965)] || takkenbos, bussel takken en twijgen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 29756 |
takkenbossen |
schansen:
šansǝ (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Bossen dorre takken, tot een bundel bijeengebonden, waarmee de oven werd aangestoken. In Q 83 werd voor het aanmaken ook wel gekloven hout (geklu\v\n (h)ōt) gebruikt, onder meer acaciahout. [N 98, 124; monogr.] || Takkenbossen, meestal van brem, die dienden om het grondwater tegen te houden. [monogr.]
II-8
|
| 24252 |
taling |
taling:
taa.ling (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
taaling (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
wilde eend:
wilj ènj (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
eend: wintertaling (36 klein; bruine kop met groene wangen; broedt hier ook; roep [kruu, kruu] [N 09 (1961)] || eend: zomertaling (38 klein; bruine kop met witte wenkbrauw; broedt minder hier; roep ratelend [N 09 (1961)] || wintertaling || zomertaling
III-4-1
|