| 22429 |
tegen de bal schoppen |
stampen:
sjtampe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Tegen de bal schoppen in het voetbalspel [schoppen, trappen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21998 |
tegenwind |
kopwind:
kopwindj (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: de duiven vliegen met de wind tegen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21210 |
telefoon |
telefoon:
telefoon (L331p Swalmen),
tillefoon (L331p Swalmen)
|
het toestel om de menselijke stem over te brengen [telefoon] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21211 |
telefooncel |
telefooncel:
telefooncel (L331p Swalmen),
telefoonhuisje:
tillefoonhuuske (L331p Swalmen)
|
het kleine vertrek van waaruit men kan telefoneren [telefooncel, cel] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21208 |
telegram |
telegram:
telegram (L331p Swalmen),
teləgram (L331p Swalmen),
tillegram (L331p Swalmen)
|
een per telegraaf overgebracht bericht [telegram, draadbericht] [N 90 (1982)] || telegram [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 32965 |
telen, verbouwen |
trekken:
trękǝ (L331p Swalmen)
|
Het voor gebruik tot ontwikkeling brengen van een gewas. Zie ook de meer specifieke lemma''s ''zaaien'' (2.1) en ''poten, planten'' in aflevering I.5. Voor twachten zie Rutten, Haspengouwsch Idioticon 239: "winnen van zaad". [N Q, 9; L 1 a-m; S 20; Wi 43; monogr.]
I-4
|
| 18840 |
teleurgesteld (worden) |
bezeikt:
bezeik (L331p Swalmen),
sneu:
sjneu (L331p Swalmen),
tegenvaller:
tééngevàller (L331p Swalmen)
|
in zijn verwachtingen bedrogen uitkomend, teleurgesteld [sneu, snul, bedonderd, beteuterd] [N 85 (1981)] || niet krijgen of ontvangen wat men had verwacht, in zijn verwachtingen bedrogen worden [teleur vallen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19253 |
ten einde brengen |
afmaken:
aafmake (L331p Swalmen),
âafmââke (L331p Swalmen)
|
een werk ten einde brengen, afmaken [bolwerken, opzeilen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17632 |
tepel |
deem:
dēm (L331p Swalmen),
schroef:
Schertsend.
sjroeve (L331p Swalmen),
tepel:
tepel (L331p Swalmen),
tepels (L331p Swalmen),
tēpǝl (L331p Swalmen)
|
borsttepels [N 10c (1995)] || Deem, speen, borst. [A 30, 6e; L 49, 6e; N 8, 39a, 39b en 40] || Welk woord bezigt men voor de tepel van een vrouwenborst? [DC 43 (1968)]
I-9, III-1-1
|
| 34320 |
tepel, tet |
deem:
dēm (L331p Swalmen),
mem:
mɛm (L331p Swalmen)
|
Het afzonderlijk melkgevend orgaan van het varken of de tepel. [N 19, 19a; JG 1a, 1b; L 49, 6d; A 30, 6d; G 1, 6d; monogr.]
I-12
|