| 34588 |
toot |
top:
(mv)
tubǝ (L331p Swalmen)
|
Elk van de uitstekende delen van de berries (bij de hoogkar) of de bakbomen (bij de slagkar) achter aan de kar. De opgaven van de woordtypen top, stoot en stots zonder meervoudsuitgang zijn als meervoudig geïnterpreteerd wegens hun velair vocalisme. Door het ontbreken van een mogelijke enkelvoudige tegenopgave, is het echter mogelijk dat het hier om enkelvoudsopgaven gaat. Met het woordtype staart wordt het geheel aangeduid, in tegenstelling tot de andere woordtypen, waarmee elk deel afzonderlijk wordt benoemd. [N 17, 28 + 37a; N G, 59a; monogr]
I-13
|
| 23464 |
torenhaan |
t hantje van dn taore?].:
haan (L331p Swalmen)
|
De haanvormige windwijzer boven op de torenspits [weerhaan, windhaan [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25697 |
torenmouterij |
torenmouterij:
torenmouterij (L331p Swalmen)
|
Pneumatische mouterij, waarbij de kieming plaatsvindt in een hoge toren om een nog betere luchting mogelijk te maken (Claessen, pag. 2. 8). [monogr.]
II-2
|
| 23456 |
torenspits |
torenspits:
toresjpits (L331p Swalmen)
|
De spits van de kerktoren; deze is meestal met leien bedekt. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23300 |
torenuurwerk |
kerkklok:
kirkklok (L331p Swalmen)
|
Het uurwerk in de kerktoren, de torenklok [kerkklok, kerkuur?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24256 |
torenvalk |
baillet (fr.):
baljer (L331p Swalmen),
bidder:
bidder (L331p Swalmen),
torenvalk:
too.reva.lk (L331p Swalmen),
toorevalk (L331p Swalmen),
valk:
valk (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
torenvalk || valk: torenvalk (34 bekende vogel met spitse vleugels; vliegt vrij langzaam; hangt vaak stil in de lucht en laat zich dan vallen om een muis o.i.d. te vangen; broedt in boomnest of in torens [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 22025 |
tortelduif |
lachduif:
lachdoef (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
tortel:
to.rtel (L331p Swalmen),
tortelduif:
torteldoèf (L331p Swalmen),
tórteldoef (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
turkse tortel:
tu.rkse to.rtel (L331p Swalmen),
turkse tortel(doef) (L331p Swalmen)
|
Lachduif (Streptopelia risoria). || tortel (28 bekende zomervogel; slank en lichtbruin; nestje meestal in hoge struiken; roep [toerrrrr, toerrrrr] [N 09 (1961)] || Tortel(duif) (Streptopelia turtur). || tortel: turkse ~ (28 nieuwe soort voor Brabant, nu meest nog in het oosten; net een grote tamme Oostindische tortel; hele jaar hier; vaak in troepen bij graanhandel, vaak op televisiemasten; alleen bij woningen, nooit in het bos; roep [roe-kóé-koe] en g [N 09 (1961)] || turkse tortel
III-3-2, III-4-1
|
| 32942 |
touw om het hooi vast te sjorren |
bindtouw:
benjtǫu̯ (L331p Swalmen)
|
Zowel om de hooiboom aan de kar vast te sjorren, alsook om de lading zelf vast te zetten als er geen hooiboom op de lading werd gelegd, werden er doorgaans twee lange stevige touwen gebruikt. Het één werd aan de voorkant van de wagen aan één van de burries (of aan beide) vastgemaakt, of aan een speciaal daartoe aangebrachte ijzeren pin of ring. Aan de achterkant van de wagen werd het touw ofwel ook aan een haak of ring vastgezet en dan door middel van een blok of klos aangespannen of met een knevel aangedraaid, ofwel werd het door een soort windas gehaald, de vregelpaal die onder in de bak van de kar was gemonteerd en dan vast aangedraaid met de vregelstok; zie de toelichting en de afbeelding bij het lemma ''vregelpaal''.' [JG 1d, 2c; A 34, 8 en 12a; add. uit N 17, 71; N 18, 140; A 34, 7, 9 en 12b; Gwn 7, 11; monogr.]
I-3
|
| 23159 |
touwtjespringen |
touwtjespringen:
tuikesjpringen (L331p Swalmen)
|
Touwtjespringen.
III-3-2
|
| 18917 |
traag |
traag:
traoch (L331p Swalmen),
traog (L331p Swalmen),
troag (L331p Swalmen)
|
niet snel reagerend; langzaam in het handelen [traag, lui] [N 85 (1981)] || traag [SGV (1914)]
III-1-4
|