| 19379 |
traproede |
roede:
roe (L331p Swalmen)
|
Elk van de houten of metalen staven die een traploper op zijn plaaats houden (roe, lat) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19850 |
trechter |
trechter:
trechtər (L331p Swalmen)
|
trechter [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 32619 |
trechter op de gierton |
trechter:
trɛxtǝr (L331p Swalmen)
|
In het spongat van de oude houten gierton werd een trechter geplaatst. Langs deze trechter goot men de gier met een emmer de ton in. Bij het vervoer van de gier werd de trechter vaak afgedekt met een oude jutezak. [N 18, 123; N 11A, 53c; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
| 19463 |
trede |
traptrede:
traptraej (L331p Swalmen),
traptrē̜j (L331p Swalmen),
tred:
trɛ̄t (L331p Swalmen
[(mv tręi̯)]
),
trede:
traej (L331p Swalmen),
trē̜j (L331p Swalmen)
|
De ijzeren opstapper die bij de huifkar aan een van de berries is opgehangen. Bij het rijtuig maakt de trede deel uit van de bak. [N 17, 39; N G, 59d; monogr.] || Elk der boven elkaar gelegen en terugwijkende opstapjes die samen een trap in een huis vormen, waarlangs men naar een andere verdieping kan gaan (trede,tree,trap) [N 79 (1979)] || Elk van de horizontale, schuin boven elkaar gelegen delen van een trap. Bij een eenvoudige trap bevindt zich tussen de treden een open ruimte, bij andere trappen een verticaal stootbord. De treden worden van voren rond of geprofileerd bewerkt en hebben doorgaans een dikte van 28 tot 45 mm. Zie ook afb. 68. [N 55, 104a; N 79, 15; monogr.]
I-13, II-9, III-2-1
|
| 21161 |
trein |
trein:
trein (L331p Swalmen),
trēīn (L331p Swalmen)
|
een reeks spoorwagens die door een locomotief tegelijk worden voortgetrokken [trein, vapeur, avapeur] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33954 |
treiten |
klingkussens:
kleŋkø̜sǝs (L331p Swalmen),
leren binnenwerk:
leren binnenwerk (L331p Swalmen)
|
Leren omwikkelingen van het haam, waaraan de trekhaken of -ogen bevestigd zijn. [N 13, 5]
I-10
|
| 19292 |
treiteren |
kreiten:
kree[i̯}tə (L331p Swalmen),
kwellen:
kwaele (L331p Swalmen),
kwellə (L331p Swalmen),
pesten:
péste (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
het kwellen [plaag, temptatie] [N 85 (1981)] || kwellen [SGV (1914)] || lichamelijk of geestelijk leed veroorzaken [plagen, kwellen] [N 85 (1981)] || sarren [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 20485 |
trek, eetlust |
honger:
h⁄oongər (L331p Swalmen),
zin in eten:
zin in aete (L331p Swalmen)
|
trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26671 |
trekbalk |
trekboom:
trękbǫwm (L331p Swalmen)
|
De balk aan de koning van de rosmolen waaraan het paard gespannen wordt. In Q 9 was dit gewoonlijk een nog van de schors voorziene boomstam. [N D, 30]
II-3
|
| 33955 |
trekhaken, -ogen |
haamkrampen:
hāmkrɛ.mp (L331p Swalmen),
krampen:
krɛ.mp (L331p Swalmen),
strengogen:
štręŋǫu̯gǝ (L331p Swalmen)
|
IJzeren haken of ogen die aan de voorkant van het haam aan de haamijzers of treiten bevestigd zijn, op elke haamspaan een. Aan die haken of ogen worden de strengen bevestigd waarmee het paard trekt. Er zijn hamen met ogen, dan hebben de strengen aan het uiteinde haken, heeft het haam daarentegen haken, dan zijn de strengen aan het uiteinde van ogen voorzien. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 6a en 6b; N 36, 12]
I-10
|