| 34169 |
uitgeteld zijn |
om zijn van (de/haar) tijd:
om zijn van (de/haar) tijd (L331p Swalmen)
|
De koe staat op het punt te gaan kalven. [N 3A, 43]
I-11
|
| 24996 |
uitgieten |
schudden:
sjèùdde (L331p Swalmen),
sjödde (L331p Swalmen)
|
een vloeistof al gietende doen vloeien uit een kan, fles etc. [storten, plassen, klassen, schenken, uitgieten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17854 |
uitglijden |
uitlitsen:
oetlitse (L331p Swalmen),
uitrutschen (<du.):
oetroetsje (L331p Swalmen)
|
uitglijden [ötschampe, uitslibbere, uitschuive] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 21386 |
uithoren |
uithoren:
oetheure (L331p Swalmen),
uitvragen:
oetvroagə (L331p Swalmen)
|
door vragen van iemand proberen te weten te komen wat hij voelt, uithoren [horken, funteren, tintelen, uithoren, uithorken] [N 87 (1981)] || uitvorschen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21953 |
uitkomen van de eieren |
uitkomen:
oetkômme (L331p Swalmen)
|
Hoe heet verder: uitkomen van de eieren? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21391 |
uitleggen |
uitduiden:
oetduuje (L331p Swalmen),
ôêtdûuje (L331p Swalmen),
uitleggen:
ôêtliGGe (L331p Swalmen),
verduitsen:
verduutsje (L331p Swalmen)
|
duidelijk maken, uitleggen [uitduiden, uitbeduiden] [N 85 (1981)] || het verklaren, uitleggen [uitleg, bedied, bedietsel] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 22773 |
uitmaken wie mag beginnen |
kavelen:
kavele (L331p Swalmen),
uitpotten:
oetpotte (L331p Swalmen)
|
Aftelrijmpje zingen. || Kavelen, loten.
III-3-2
|
| 18311 |
uitneembaar frontje |
plastron (fr.):
plastron (L331p Swalmen)
|
frontje, uitneembaar ~ in de hals van een jurk [vestje, plastron] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21452 |
uitnodigen |
noden:
neuje (L331p Swalmen)
|
iemand verzoeken bij iemand op bezoek te komen, een feest bij te wonen etc. [verzoeken, noden, bidden, uitnoden, kwelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 34187 |
uitpersen van de baarmoeder, prolapsus uteri |
eruitkomen van de draagmoer:
eruitkomen van de draagmoer (L331p Swalmen),
het lijf uitsmijten:
ǝt līf ūtšmītǝ (L331p Swalmen)
|
Het uitzakken van de baarmoeder veroorzaakt door de naweeën of door het gewicht van de vruchtvliezen. In tegenstelling tot een prolapsus vaginae doet zich de prolapsus uteri altijd voor na een baring. [N 52, 4; A 48A, 8; N 3A, 97; N 52, 30a; monogr.]
I-11
|