| 21445 |
uitschelden |
schelden:
scheljə (L331p Swalmen),
uitschelden:
oetsjelje (L331p Swalmen),
uitsliepen:
Van Dale: uitsliepen, bespotten door met de ene wijsvinger langs de andere te strijken en daarbij te roepen sliep uit, sliep uit.
ôêtsjliepe (L331p Swalmen)
|
iemand smadelijke, honende woorden naar het hoofd werpen [uitkeken, uitjouwen, uitjuiwen, bellen, uitklappen, uitgodverren,uitschelden, uitsliepen [N 85 (1981)] || schelden [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 34349 |
uitslag vertonend |
brandig:
brɛnjex (L331p Swalmen)
|
Gezegd van een varken dat lijdt aan de vlekziekte. [N 19, 27b]
I-12
|
| 22343 |
uitsliepen |
sliepuit doen:
sjlīē.p oe.t doo.n (L331p Swalmen),
uitkaken:
oe:tkake (L331p Swalmen),
uitsliepen:
emes oet sjliepe (L331p Swalmen),
ūtsjlīəpe (L331p Swalmen)
|
Iemand bespotten door met de ene wijsvinger langs de andere te strijken en daarbij te roepen [sliep uit, sliep uit]. [N 88 (1982)] || uitsliepen [sliep oet doon] [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 21787 |
uitsluitsel |
uitbindel:
oetbinjel (L331p Swalmen),
uitgelegd (volt.deelw.):
ôetgelàch (L331p Swalmen)
|
een beslissend antwoord, een antwoord dat alles uitlegt [uitsluitsel, uitbedul] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 32416 |
uitspannen |
uitspannen:
ūtšpanǝ (L331p Swalmen)
|
Het paard losmaken van de kar of het werktuig waarin of waaraan het gespannen is. Bij het uitspannen uit een kar met berries worden de draagriem, de brede buikriem en de strengen losgemaakt. Vervolgens wordt het paard naar de stal geleid. [JG 1b, 2c; N 8, 98b; monogr.]
I-10
|
| 23660 |
uitstalling van het allerheiligste |
uitstelling van het allerheiligste:
oetsjtelling van t allerheiligste (L331p Swalmen)
|
Uitstalling, uitstelling van het Allerheiligste [oessjtellóng van t allerhillieg-ste?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23424 |
uitstallingstroon |
troon:
troon (L331p Swalmen)
|
De troon, de ruimte of plek boven het tabernakel waar het Allerheiligste wordt uitgesteld. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34590 |
uitstekende delen van de trekschei |
knoppen:
knubǝ (L331p Swalmen)
|
De delen van de trekschei waaraan de strengen bevestigd worden. [N 17, 25b; N G, 58c]
I-13
|
| 18925 |
uitstellen |
uitstellen:
oetsjtelle (L331p Swalmen),
ôetsjtéélle (L331p Swalmen)
|
iets niet op het daarop vastgestelde tijdstip verrichten maar het naar een later tijdstip verschuiven [uitstellen, trekken, vertrekken, verstrekken, nazien] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18891 |
uitvlucht |
uitvlucht:
oetvluch (L331p Swalmen),
oetvluchte (L331p Swalmen)
|
wat men aanvoert om iets niet te hoeven doen [uitvlucht, uitvluchtsel, uitmaak, uitmaaksel, flauws, zoeking] [N 85 (1981)]
III-1-4
|