| 19492 |
vaatdoek |
schotelsplag:
šōtəlsplak (L331p Swalmen)
|
vaatdoek [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 25303 |
vaatje, maat van 250 liter |
vaatje:
véétje (L331p Swalmen)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 250 liter [kwartje, meuken, okshoofd, vaatje] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 28963 |
vademen |
door het oog van de/een naald(e) steken:
dōr ǝt ǫwx van ęjn nǭlj štē̜kǝ (L331p Swalmen),
invamen:
envē̜mǝ (L331p Swalmen)
|
Een draad door het oog van een naald halen. In dit lemma zijn de objecten draad, garen, draad garen, vaam, vaam garen niet gedocumenteerd. [N 59, 68; N 62, 10; L 8, 29; L B1, 76; MW; monogr.]
II-7
|
| 20330 |
vader |
vader:
vader (L331p Swalmen)
|
vader [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 18949 |
vagebond |
schab:
sjàp (L331p Swalmen),
schurger:
sjörger (L331p Swalmen)
|
een persoon zonder vaste woonplaats en zonder middelen van bestaan, vaak met een slecht gedrag [vagebond, kreugekruier, skoefel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23330 |
vagevuur |
vagevuur:
vagevuur (L331p Swalmen)
|
vagevuur [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 33795 |
vagina, geslachtsorgaan van de merrie |
kling:
kleŋ (L331p Swalmen)
|
Het uitwendig zichtbare geslachtsdeel. [JG 1a, 1b; N 8, 35, 39b en 40]
I-9
|
| 19454 |
vak van een kast |
vak:
vak (L331p Swalmen)
|
Deel van een kast dat door schotjes of deurtjes van de rest gescheiden is (vak, loket) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 21968 |
valdeur aan duiventil |
spoetnik:
sjpoetnik (L331p Swalmen)
|
Hoe heet de inrichting waardoor de duiven wel het hok binnen kunnen maar niet eruit, of omgekeerd? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 24616 |
valeriaan |
valeriaan:
valdriaan (L331p Swalmen)
|
Valeriaan (valeriana officinalis 50 tot 120 cm groot. De stengels zijn alleen bovenaan vertakt; de bladeren zijn groot en tegenoverstaand, ze zijn samengesteld of diep ingesneden. De bloemen zijn tweeslachtig en roze van kleur. De plant is sterk geurend [N 92 (1982)]
III-4-3
|